Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
04-6855 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien een verzekerde bij zijn WAO-aanvraag verzoekt om, in plaats van aansluitend op de wettelijke wachttijd een WAO-uitkering toe te kennen, de werkgever een loonsanctie op te leggen, hij daarmee een aanvraag doet als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6855 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 november 2004, 04/562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, zich als gemachtigde van betrokkene aangemeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G. Rodermond en mr. M.H. Beersma. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als stadsredacteur/programmamaker voor 32 uur per week bij Omroepvereniging [naam omroepvereniging] (hierna: werkgever). Op 28 augustus 2002 heeft zij zich ziek gemeld. Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft appellant geweigerd betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat betrokkene in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Hierbij is vermeld dat appellant geen aanmerkingen heeft op het bij de WAO-aanvraag gevoegde re-integratieverslag. In het mede aan dit besluit ten grondslag liggende rapport van de arbeidsdeskundige heeft deze opgemerkt: “Door een omissie onzerzijds is het RIV

(lees: re-integratieverslag) niet beoordeeld.”

In bezwaar heeft betrokkene gesteld dat de WAO-aanvraag ten onrechte in behandeling is genomen, omdat het Uwv de werkgever een verlenging van de loondoorbetalings-verplichting op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO (hierna: loonsanctie) had moeten opleggen. Zij heeft daartoe, samengevat, onder verwijzing naar haar opmerkingen op het WAO-aanvraagformulier aangevoerd dat de werkgever zich niet heeft gehouden aan de verplichting om voldoende re-integratie-inspanningen te verrichten en dat de werkgever daarom verplicht moet worden gesteld haar loon door te betalen. Tegen de schatting die aan het besluit van 20 augustus 2003 ten grondslag ligt, heeft betrokkene geen grieven aangevoerd.

Bij besluit van 8 april 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Ten aanzien van het bezwaar dat aan de werkgever geen loonsanctie is opgelegd, merkt appellant op het eens te zijn met betrokkene dat het zorgvuldiger zou zijn geweest wanneer het re-integratieverslag inhoudelijk zou zijn beoordeeld, voordat de WAO-aanvraag in behandeling was genomen. In het kader van een WAO-beoordeling wordt het niet opleggen van een loonsanctie echter als een gegeven beschouwd wanneer de aanvraag reeds in behandeling is genomen. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat hij uitsluitend een beslissing heeft genomen over de WAO-aanspraken van betrokkene.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat het beroep van betrokkene zich richt tegen een besluit dat is gericht op rechtsgevolg. Uit de vaststelling in het besluit van 20 augustus 2003 dat er geen aanmerkingen zijn op het re-integratieverslag volgt dat appellant de re-integratie-inspanningen van de werkgever van betrokkene niet als onvoldoende heeft aangemerkt en dat daarom geen tijdvak wordt vastgesteld waarover betrokkene jegens haar werkgever recht op loon heeft. Hieruit volgt volgens de rechtbank evenzeer dat betrokkene belanghebbende is bij dat besluit. De rechtbank stelt verder vast dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, appellant verzuimd heeft het re-integratieverslag inhoudelijk te beoordelen. Aldus heeft appellant niet kunnen vaststellen of overeenkomstig artikel 71a, negende lid, van de WAO de werkgever van betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Indien, zoals namens betrokkene is gesteld, sprake is van onvoldoende re-integratie-inspanningen, dan had de werkgever een loonsanctie opgelegd gekregen en zou de beoordelingsdatum voor de WAO-uitkering met de duur van de loonsanctie zijn opgeschoven. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep heeft appellant zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank uitgaat van een verkeerde wetsuitleg, nu toepassing van artikel 71a, negende lid, van de WAO niet tot een verlenging van de wachttijd ingevolge de WAO leidt, maar bij oplegging van een loonsanctie aan de werkgever slechts de uitbetaling van de WAO-uitkering in de tijd wordt opgeschoven. Ook in het geval dat aan de werkgever een loonsanctie zou zijn opgelegd, zou appellant de aanspraken van betrokkene per einde wachttijd hebben moeten beoordelen. Appellant erkent dat een fout is gemaakt in het primaire proces doordat het re-integratieverslag ten onrechte niet is beoordeeld. Bovendien heeft betrokkene uit het besluit mogen afleiden dat de beslissing ook betrekking had op de beoordeling van het re-integratieverslag. Zij heeft dan ook terecht een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2003 (LJN: AN7856). De beslissing waartegen betrokkene bezwaar heeft gemaakt zou volgens appellant eveneens gezien kunnen worden als een tweeledig besluit, namelijk een besluit over haar aanspraken op een WAO-uitkering en een besluit over het niet opleggen van een loonsanctie. Nu de bezwaren van betrokkene zich met name tegen dit laatste onderdeel van het besluit richten, zou dat een reden kunnen zijn om alsnog de re-integratie-inspanningen van de werkgever in bezwaar te beoordelen. Appellant heeft die beoordeling echter achterwege gelaten omdat een dergelijke beoordeling naar zijn oordeel niet kan leiden tot het alsnog opleggen van een loonsanctie. Enerzijds heeft de werkgever geen mogelijkheid meer om alsnog aan zijn re-integratieverplichting bij einde wachttijd te voldoen. Anderzijds heeft het feit dat appellant voorafgaande aan de WAO-beoordeling ten onrechte de re-integratie-inspanningen van de werkgever niet heeft beoordeeld volgens appellant materieel geen gevolgen gehad voor betrokkene. Een loonsanctie zou in dit geval maximaal over een periode van 9 maanden zijn opgelegd. De werkgever heeft feitelijk na einde wachttijd nog gedurende ruim 10 maanden het loon doorbetaald. Materieel verkeerde betrokkene dus niet in een slechtere positie dan wanneer wel een loonsanctie zou zijn opgelegd. Appellant heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Betrokkene heeft te kennen gegeven dat zij zich volledig kan vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van de WAO, zoals dit luidde ten tijde in geding en voor zover hier van belang, dient de belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een WAO-uitkering zijn aanvraag in binnen 9 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.

Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de WAO, zoals dit luidde ten tijde in geding, gaat de aanvraag voor de toekenning van een WAO-uitkering vergezeld van een re-integratieverslag en beoordeelt appellant of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

Op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO, stelt appellant, kort gezegd, indien bij de behandeling van de WAO-aanvraag en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond de in artikel 71a neergelegde verplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, een tijdvak vast waarover de werkgever verplicht is tot loondoorbetaling. In dat geval wijst appellant op grond van artikel 34a, tweede lid, van de WAO, de aanvraag van een WAO-uitkering af.

In de onderhavige procedure ligt voor een besluit waarin is beoordeeld of betrokkene arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 april 2007 (LJN: BA3866) omvat deze beoordeling, gelet op de criteria in artikel 18 van de WAO en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, niet een oordeel over de vraag of de werkgever van een verzekerde heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen jegens die verzekerde en evenmin een oordeel over de vraag of een over die verzekerde opgesteld re-integratieverslag aan de wettelijke vereisten voldoet. Dit brengt met zich dat de grieven van betrokkene hierover niet betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het bestreden besluit. Hieraan doet niet af dat appellant, nadat een WAO-aanvraag is ingediend, het daarbij gevoegde re-integratieverslag dient te beoordelen en, indien die beoordeling negatief is, in beginsel een verplichting tot loondoorbetaling aan de werkgever oplegt. Dit geschiedt alsdan in een afzonderlijk besluit dat los staat van het besluit waarin de arbeidsongeschiktheid van de verzekerde wordt vastgesteld, en waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen kunnen worden ingediend.

De Raad volgt appellant niet in diens standpunt dat het besluit van 20 augustus 2003 een tweeledig besluit is, namelijk een besluit over betrokkenes WAO-aanspraken en een besluit dat geen loonsanctie wordt opgelegd. In zijn eerdergenoemde uitspraak van

8 oktober 2003 heeft de Raad geoordeeld dat de vaststelling door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals dit luidde tot 1 januari 2002, dat binnen het bedrijf van een werkgever voor een arbeidsgehandicapte werknemer geen andere passende arbeid voorhanden is, gericht is op rechtsgevolg en derhalve een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit rechtsgevolg was op grond van de toen geldende wetstekst gelegen in de overgang van de op re-integratie gerichte verplichting van de werkgever naar appellant. Deze vaststelling is niet op één lijn te stellen met het oordeel dat appellant in het kader van de behandeling van een WAO-aanvraag geeft over een re-integratieverslag en de re-integratie-inspanningen van een werkgever.

Het vorenstaande neemt niet weg dat, indien een verzekerde bij zijn WAO-aanvraag aan appellant verzoekt om, in plaats van aansluitend op de wettelijke wachttijd een WAO-uitkering toe te kennen, de werkgever een loonsanctie op te leggen, hij daarmee een aanvraag doet als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Appellant zal in dat geval een beslissing op dat verzoek dienen te nemen, waarin hij op grond van zijn oordeel over de re-integratie-inspanningen van de werkgever al dan niet een loonsanctie oplegt. Deze beslissing is, ook indien het verzoek wordt afgewezen, een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Indien een verzekerde in bezwaar tegen de beslissing op zijn WAO-aanvraag aan appellant verzoekt de werkgever alsnog een loonsanctie op te leggen, dient dit bezwaar in zoverre te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Appellant dient op die aanvraag een beslissing te nemen, waartegen afzonderlijk - los van het besluit op de WAO-aanvraag - bezwaar en beroep openstaat.

In het onderhavige geval is van een verzoek bij de WAO-aanvraag om een loonsanctie op te leggen niet gebleken. Eerst in bezwaar heeft betrokkene aangevoerd dat appellant aan de werkgever een loonsanctie had moeten opleggen. Gelet hierop heeft appellant geen besluit genomen om geen loonsanctie op te leggen en heeft hij in het bestreden besluit terecht overwogen dat hij uitsluitend een beslissing heeft genomen over de WAO-aanspraken van betrokkene.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vaststelling in het besluit van 20 augustus 2003 dat er geen aanmerkingen zijn op het re-integratieverslag, een besluit is dat gericht is op rechtsgevolg. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank eveneens ten onrechte geoordeeld dat appellant in het bestreden besluit, waarin uitsluitend bezwaren tegen de afwijzing van de aanvraag van een WAO-uitkering aan de orde konden komen, een inhoudelijk oordeel had moeten geven over het re-integratieverslag.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat, nu betrokkene in bezwaar alsnog heeft verzocht om aan de werkgever een loonsanctie op te leggen, het bestreden besluit in zoverre moet worden opgevat als een weigering om op dat verzoek een besluit te nemen. Dit moet ingevolge artikel 6:2, onder a, van de Awb worden gelijk gesteld met een primair besluit. Op grond van artikel 6:15 van de Awb moet het beroepschrift van 12 mei 2004 als bezwaarschrift worden aangemerkt en zal de Raad dit als zodanig ter verdere behandeling doorzenden naar appellant. Appellant zal in het besluit op bezwaar een oordeel moeten geven over de door de werkgever verrichte re-integratie-inspanningen. Ten overvloede merkt de Raad op dat appellant ter zitting van de Raad in een vergelijkbare zaak heeft verklaard dat appellant in beginsel schadeplichtig is jegens betrokkene, indien hij tot het oordeel zou komen dat de werkgever niet aan zijn

re-integratieverplichtingen jegens betrokkene heeft voldaan.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaard dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

GdJ