Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
04-6604 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Urenbeperking. Oordeel van onafhankelijke door bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel volgen. Medische onderbouwing in onderhavige geval onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6604 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 oktober 2004, 03/1788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Bakker, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv is niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de Raad het onderzoek vervolgens weer gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als directiesecretaresse voor 36 uur per week. Zij is op 30 juni 2000 uitgevallen in verband met RSI-klachten en heeft vanaf 29 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarbij is uitgegaan van een urenbeperking van 20 uur per week. In november 2001 is appellante bij haar werkgever aan het werk gegaan in de functie van medewerker communicatie voor 20 uur per week. Op 30 december 2001 is appellante opnieuw uitgevallen. Per 27 januari 2002 is de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 5 mei 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit ligt een rapportage van 5 december 2002 van de verzekeringsarts ten grondslag waarin deze heeft overwogen dat appellante beperkingen heeft voor dynamisch en statisch functioneren, waaronder repetitieve bewegingen en langdurig in dezelfde houding zitten, maar dat er geen reden is een urenbeperking te stellen. De verzekeringsarts heeft er daarbij op gewezen dat appellante ’s ochtends werkt en dat ’s middags sprake is van een normaal activiteitenpatroon. Desgevraagd heeft de behandelend revalidatiearts in zijn brief van 25 april 2003 de verzekeringsarts ingelicht over de door appellante gevolgde revalidatiedagbehandeling. Daarbij is opgemerkt dat 20 uur per week werken het maximaal haalbare lijkt. In zijn rapportage van 15 mei 2003 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de informatie van de revalidatiearts geen medische argumenten bevat om een urenbeperking aan te nemen.

De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) weergegeven. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die voor appellante geschikt worden geacht. In haar rapportage van

10 april 2003 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 tot 35% moet worden vastgesteld.

Bezwaarverzekeringsarts K.L.Tetelepta-Tan heeft in haar rapportage van 25 augustus 2003 op basis van dossierstudie geconcludeerd dat in de FML meer dan voldoende beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn gesteld. Onder verwijzing naar de Standaard verminderde arbeidsduur (hierna: de Standaard) is overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het stellen van een urenbeperking om preventieve redenen en dat met de RSI-klachten voldoende rekening is gehouden door de overige gestelde beperkingen.

In de inlichtingen van de revalidatiearts ziet de bezwaarverzekeringsarts geen medische onderbouwing van de urenbeperking, maar slechts een weergave van de mening van appellante dat zij maximaal 20 uur per week kan werken. Bij besluit van 24 november 2003 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 5 mei 2003 ongegrond verklaard.

De werkgever van appellante heeft bij brief van 18 december 2003 aan het Uwv toegelicht dat appellante diverse pogingen heeft ondernomen om het aantal werkuren per week uit te breiden, maar dat – ondanks de nodige voorzorgen en begeleiding van de bedrijfsarts – die pogingen steeds resulteerden in een forse toename van haar klachten. Volgens de werkgever dient appellante in de functie van communicatiemedewerker voor 20 uur week constant rekening te houden met de grens van haar belastbaarheid om te voorkomen dat haar klachten toenemen.

Bij brief van 30 januari 2004, door appellante in beroep overgelegd, heeft de behandelend revalidatiearts verklaard dat indien appellante meer uren dan 20 uur per week zou werken, zij progressief meer pijnklachten zal ontwikkelen en dat voor deze aanname voldoende medische onderbouwing bestaat.

Bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan heeft in haar rapportage van 25 mei 2004 geconcludeerd dat sprake is van pijnvermijdend gedrag en dat het stellen van een urenbeperking zeker zal leiden tot versterking van het vermijdende gedragspatroon. Vanwege deze anti-revaliderende werking acht de bezwaarverzekeringsarts de urenbeperking gecontraïndiceerd. Verwezen is naar een uitspraak van de Raad van 9 december 2003 LJN: BB 7455.

In een reactie daarop heeft de revalidatiearts in zijn brief van 13 augustus 2004 toegelicht dat appellante geenszins lijdt aan pijnvermijdend gedrag maar juist de neiging heeft over de grenzen van haar belastbaarheid heen te gaan, waardoor de klachten toenemen. Aangegeven is dat het geval van appellante niet op één lijn kan worden gesteld met het geval dat in de uitspraak van 9 december 2003 (01/5286 WAZ) aan de orde was. Bij de behandeling van aspecifieke overbelastingsklachten zoals RSI moet in ieder individueel geval worden geëvalueerd welke stressfactoren een rol spelen. Uitbreiding van de werkzaamheden van appellante tot meer dan 20 uur per week zal zeer waarschijnlijk leiden tot toename van de arbeidsongeschiktheid. Voorts moet worden aangenomen dat ook voor andere functies dan de – door appellante feitelijk verrichte – functie van communicatiemedewerker handelingen en houdingen zijn vereist waarvoor appellante beperkt is. Gelet op de zeer forse beperkingen, die niet optrainbaar zijn gebleken, moet volgens de revalidatiearts ook voor zodanige functies een urenbeperking van ongeveer 20 uur worden aangenomen.

In de rapportage van 19 augustus 2004 heeft bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen gesteld dat de medische informatie van de revalidatiearts geen reden is om aan te nemen dat het achterwege laten van een urenbeperking tot schade aan de gezondheid van appellante zal leiden. Volgens Wijnen was er geen aanleiding voor de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan om appellante zelf op het spreekuur te zien.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gegrond verklaard. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard. Het Uwv is voorts veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat het griffierecht aan appellante wordt vergoedt.

Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen en dat ook andere beperkingen voor het verrichten van arbeid onvoldoende zijn onderkend. Het Uwv heeft zich verenigd met de overwegingen van de rechtbank en verwezen naar de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

In het op verzoek van de Raad uitgebrachte rapport van 7 juli 2007 heeft de als deskundige ingeschakelde revalidatiearts, dr. R.M. van Mechelen, als volgt geconcludeerd: Betrokkene heeft medio 2007 een onmiskenbaar dubbelzijdig RSI-syndroom dat therapieresistent is gebleken. Op de in geding van belang zijnde datum van 11 juni 2003 had eiseres eveneens een onmiskenbaar dubbelzijdig RSI-syndroom dat therapieresistent is gebleken en waarbij zowel de behandelende revalidatiearts als de bedrijfsarts op basis van zich telkens herhalende ervaringsgegevens uiteindelijk ter bescherming van betrokkene een urenbeperking van maximaal 20 uur per week, gelijk verdeeld over vijf werkdagen, hebben voorgeschreven om toename van schade aan gezondheid en verergering van de mate van invaliditeit te voorkomen. Op basis van het rapport van de verzekeringsarts van 5 december 2002 kan de deskundige niet tot een afwijkende, laat staan verbeterde, gezondheidstoestand concluderen. Er zijn geen objectief gewijzigde feiten vastgesteld die een dermate afwijkende conclusie rechtvaardigen. De deskundige overweegt dat de urenbeperking tot 5 x 4 uur per week op goed gemotiveerde en aan de praktijk getoetste bevindingen empirisch als maximaal haalbaar zijn vastgesteld door zowel behandelend revalidatiearts als verantwoordelijk bedrijfsarts en dat hij geen argumenten kan bedenken om hiervan af te wijken. De belastbaarheid van betrokkene dient dan ook bijgesteld te worden tot een maximering van 5 x 4 uur per week. Dit geldt volgens de deskundige zowel voor de functie waarin appellante heeft hervat als voor de geselecteerde functies. Met inachtneming van de urenbeperking kan de deskundige zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. De overweging van de bezwaar-verzekeringsarts Tetelepta-Tan dat sprake zou zijn van pijnvermijdend gedrag is volgens de deskundige volstrekt ongefundeerd. De deskundige acht de bevindingen van de revalidatiearts en de bedrijfsarts doorslaggevend, mede omdat – anders dan deze artsen – de bezwaarverzekeringsartsen Tetelepta-Tan en Wijnen appellante niet zelf op het spreekuur hebben gezien.

In de rapportage van 16 juli 2007 stelt bezwaarverzekeringsarts Jonker in een reactie van het rapport van de deskundige dat het deskundigenoordeel in strijd is met de WAO-systematiek. De deskundige miskent volgens het Uwv dat bezien moet worden of appellante geschikt is voor ander – gangbaar – werk dan het hervatte werk. Voorts mist de bezwaar-verzekeringsarts in het rapport van de deskundige een nauwkeurige beschrijving van de gevonden afwijkingen. In zijn commentaar van 8 oktober 2007 gaat de deskundige in op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, waarbij hij mede verwijst naar de bevindingen van de verzekeringsartsen, maar ook van de bedrijfsarts en de revalidatiearts; met welke beide laatstgenoemde artsen hij telefonisch overleg heeft gevoerd. In een reactie daarop van 16 oktober 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts haar standpunt gehandhaafd.

De Raad constateert – zo begrijpt de Raad ook het door de bezwaarverzekeringsartsen verwoorde standpunt – dat het niet de bedoeling van de Standaard is de beoordeling of een urenbeperking moet worden aangenomen te baseren op een gerealiseerde parttime werkhervatting, maar dat de (bezwaar)verzekeringsarts zich moet afvragen of betrokkene in staat is voltijds te functioneren in gangbare arbeid. Niettemin vloeit uit de Standaard voort dat onder omstandigheden in de beoordeling moet worden betrokken wat de ervaringen van de betrokkene zijn met meer uren werken en welk effect dit op betrokkene heeft. Dergelijke gegevens kunnen volgens de Standaard licht werpen op de plausibiliteit van het verzuim en daarmee op de indicatie voor een urenbeperking.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken.

In navolging van de deskundige is de Raad van oordeel dat het Uwv ten onrechte de door appellante ondernomen pogingen tot uitbreiding van het hervatte werk buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts acht de Raad de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan dat in het geval van appellante de urenbeperking anti-revaliderend zou zijn – mede in het licht van de Standaard – onvoldoende onderbouwd. Deze conclusie is – met afwijking van de aanwezige informatie van de behandelend revalidatiearts en van de bedrijfsarts – eerst door de bezwaarverzekeringsarts getrokken en wel zonder dat appellante door de bezwaarverzekeringsarts op het spreekuur is gezien. Met de deskundige is de Raad van oordeel dat onder deze omstandigheden geen doorslaggevend gewicht aan dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts toekomt. De Raad is niet gebleken dat sprake is van een geval dat met de uitspraak van 9 december 2003 op één lijn te stellen is.

De Raad concludeert dat in de FML ten onrechte geen urenbeperking van maximaal 20 uur per week, 4 uur per dag is opgenomen. De op de FML gebaseerde schatting berust dan ook niet op een juiste medische grondslag. Het bestreden besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Het voorgaande leidt er toe dat het beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 241,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 680,30 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 921,80. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat in – het niet aangevochten gedeelte van – de aangevallen uitspraak reeds een proceskostenveroordeling is uitgesproken voor het indienen van het beroepschrift in eerste aanleg tegen het bestreden (reële) besluit met toepassing van gewichtfactor 0,25.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 921,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

HS