Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
08-469 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betrokkene zou illegaal mes verkocht hebben op terrein van werkgever. Ontslag. Uitvoering aangevallen uitspraak brengt herstel van dienstverband met zich mee. Werking aangevallen uitspraak werdt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/469 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 december 2007, 06/1468 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene],

en

verzoeker

Datum uitspraak: 11 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.K. de Haan, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine en mr. A.A. in ’t Veen, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als casemanager bij de IND, met als standplaats [standplaats]. Uit dien hoofde had betrokkene regelmatig contact met uitgeprocedeerde asielzoekers en vertegenwoordigers van ketenpartners van de IND zoals gemeenten, politie en vluchtelingenwerk. Als hobby verzamelde betrokkene sinds lange tijd messen.Vanaf medio 2005 heeft hij via internet ook messen te koop aangeboden.

1.2. Nadat betrokkene op 15 februari 2006 bij de plaatsvervangend unitmanager had geïnformeerd naar de meldingsplicht ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden heeft hij op 18 februari 2006 de unitmanager gebeld met de mededeling dat hij mogelijk een mes heeft verkocht dat niet vrij verhandelbaar is. De unitmanager heeft betrokkene vervolgens aangeraden bij de politie te informeren naar de (il)legaliteit van het mes. Dat heeft betrokkene gedaan. Op 24 februari 2006 heeft betrokkene met de unitmanager gesproken en meegedeeld dat het volgens de politie waarschijnlijk een illegaal mes betreft. Een dag later is een bericht in de krant verschenen over een televisieprogramma van SBS 6 enkele dagen later, waaruit zou blijken dat een medewerker van de IND zich bezig houdt met verkoop van illegale wapens. Betrokkene vermoedde dat het hem betrof en heeft melding gemaakt van het programma bij de unitmanager. Op 27 februari 2006 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van de afdeling personeel en organisatie en de unitmanager enerzijds en betrokkene anderzijds. Daarna is betrokkene de toegang tot zijn werkzaamheden ontzegd. Het bezwaar tegen het besluit tot ontzegging van de toegang is ongegrond verklaard bij besluit van 15 juni 2006. Daartegen zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.3. Op 28 februari 2006 heeft SBS 6 een programma uitgezonden waarin een journalist die zich voordeed als een uitkeringsgerechtigde, in contact is getreden met betrokkene en hem thuis heeft bezocht, waar betrokkene liet zien dat hij een grote verzameling messen had, waaronder een vlindermes. In het programma was te zien dat betrokkene meedeelde werkzaam te zijn bij de IND. Na een aantal malen contact bleek betrokkene bereid voor de journalist een vlindermes in het buitenland te bestellen. In het programma is vervolgens te zien dat betrokkene bij het IND-gebouw in een auto de journalist ontmoet die hem geld geeft om het mes te bestellen. Betrokkene heeft dit mes vervolgens besteld via internet en later geleverd aan deze journalist, wederom in een auto bij het IND-gebouw. Betrokkene heeft over deze heimelijke opnames een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek welke deels gegrond is verklaard.

1.4. Bij brief van 9 maart 2006 heeft verzoeker aan betrokkene meegedeeld voornemens te zijn hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

Verzoeker wordt - kort samengevat - verweten dat hij beschikte over een illegaal mes, dat hij daarnaast een illegaal mes heeft ingevoerd in strijd met de invoerregels en dat hij zich van de illegaliteit van dat mes bewust was. Ook wordt hem verweten dat hij dit mes vóór het IND-gebouw heeft verkocht, dat hij regelmatig in messen handelt en dat hij zijn nevenwerkzaamheden niet heeft gemeld. Tevens wordt betrokkene verweten dat hij zijn unitmanager pas geleidelijk, onder druk van het op handen zijnde televisieprogramma, openheid van zaken heeft gegeven

1.5. Nadat betrokkene zijn bedenkingen naar voren had gebracht, heeft verzoeker bij besluit van 20 juni 2006 aan betrokkene de straf van disciplinair ontslag opgelegd met ingang van 1 juli 2006. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van

22 november 2006 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en verzoeker opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft zij overwogen dat niet is vast komen te staan dat betrokkene zich op het moment van de verkoop van het mes bewust was van de illegaliteit daarvan en dat het niet aannemelijk is geworden dat betrokkene openheid van zaken heeft gegeven onder toenemende druk van het op handen zijnde programma van SBS 6. Die onderdelen van het plichtsverzuim zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft de rechtbank onevenredig geacht aan het plichtsverzuim. Tevens zijn bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Vast staat dat verzoeker aan de aangevallen uitspraak slechts gevolg kan geven door, hangende zijn hoger beroep een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij het dienstverband met betrokkene wordt hersteld. Nu verzoeker dit laatste onaanvaardbaar acht, heeft hij in beginsel een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak.

3.3. Ter beoordeling staat vervolgens of sprake is van voldoende zwaarwegende redenen om zo’n voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Voor zover daarbij het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.4. Verzoeker is van mening dat uit het op 24 maart 2006 opgemaakte proces-verbaal valt op te maken dat betrokkene tijdens de verkoop van het vlindermes zich bewust was van de illegaliteit daarvan. Verzoeker is voorts van mening dat betrokkene wel degelijk op basis van toenemende druk openheid van zaken heeft gegeven. Volgens verzoeker schaden de gedragingen van betrokkene het aanzien van de IND en zijn medewerkers. Zij dienen gezag uit te stralen in hun werkzaamheden en gedragingen als die van betrokkene doen daaraan afbreuk. De straf van disciplinair ontslag acht verzoeker voor het geheel van het vastgestelde plichtsverzuim niet onevenredig.

3.5. Betrokkene voert aan dat hij weliswaar aanvankelijk meende dat het betreffende mes een verboden wapen was, maar dat hij er later van uit is gegaan dat het toch was toegestaan omdat het mes via internet te koop werd aangeboden. Bovendien is betrokkene van mening dat hij is uitgelokt door de journalist.

3.6. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene een mes voorhanden heeft gehad en heeft verkocht, wat ingevolge artikel 13, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, ten eerste, onder a van de Wet wapens en munitie, verboden is. Dit betreft een misdrijf. Partijen verschillen wel van mening over het antwoord op de vraag of betrokkene tijdens de verkoop van het mes zich al dan niet bewust was van de illegaliteit daarvan.

3.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Volgens het zich onder de gedingstukken bevindende schriftelijke verslag van de TV-uitzending SBS 6, heeft betrokkene de undercover journalist meegedeeld: “… vlindermessen zijn volgens de wapenwet …gewoon verboden”. Hoewel de voorzieningenrechter er niet aan voorbij gaat dat een dergelijk programma zeer suggestief van aard kan zijn, is deze opmerking van betrokkene stellig en zonder voorbehoud gemaakt. Uit het proces-verbaal van 24 maart 2006 blijkt voorts dat betrokkene bereid is geweest een vlindermes te leveren en daarover heeft verklaard: “ik zocht dit voor hem uit en volgens mijn kennis op dat moment was een dubbelzijdige verboden. Toch kwam ik erachter dit ik dit mes via internet gewoon kon bestellen in Nederland (…).”. Uit het voorgaande leidt de voorzieningenrechter af dat betrokkene zich bewust was van de illegaliteit van het verkochte mes. Het verweer van betrokkene dat het mes niet illegaal zou zijn omdat het op internet te koop bleek te zijn, overtuigt niet. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat via internet vele illegale zaken te koop zijn.

3.8. Door deze gedragingen van betrokkene heeft de IND imagoschade geleden. Naar voorlopig oordeel is daarmee de relatie tussen de gedraging en de werkzaamheden van betrokkene gegeven. Voorts kan de voorzieningenrechter verzoeker volgen in het standpunt dat betrokkene het noodzakelijke vertrouwen heeft verspeeld. Het verweer van betrokkene dat hij tot deze gedragingen werd uitgelokt slaagt naar voorlopig oordeel niet, omdat daarmee de volle verwijtbaarheid van betrokkene niet wordt weggenomen.

3.9. Op grond van dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich zou brengen dat verzoeker zou moeten besluiten tot het herstellen van het dienstverband van betrokkene, die reeds sinds 27 februari 2006 geen werkzaamheden meer ten behoeve van verzoeker heeft verricht, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

4. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 december 2007, 06/1468, totdat op het hoger beroep is beslist;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 428,- terugbetaalt aan de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. De beslissing is, in tegenwoordigheid van F.M.S. Requisizione als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2008.

(get.) G.P.A.M.Garvelink-Jonkers.

(get.) F.M.S. Requisizione