Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
08-226 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet werkzaam binnen het gezagsbereik van minister. Tegen besluit in gevolge art. 8:4, d, Awb geen beroepmogelijk, en dus ook geen bezwaar. Terecht niet-ontvankelijk verklaring. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/226 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker],

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 22 november 2007, 07/6304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 11 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker heeft de minister verzocht hem te benoemen tot gerechtsauditeur bij de Centrale Raad van Beroep. Daarop heeft de directeur Rechtsbestel verzoeker namens de minister bij brief van 21 mei 2007 bericht dat de Centrale Raad van Beroep verzoeker niet geschikt acht voor die functie en dat het verzoek om die reden wordt afgewezen.

1.2. Bij het bestreden besluit van 16 augustus 2007 heeft de directeur Rechtsbestel namens de minister het door verzoeker gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 21 mei 2007 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) behelst.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de grond dat de afwijzing door de minister wèl is aan te merken als een besluit. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven omdat sprake is van een besluit waartegen ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb geen bezwaar of beroep open staat.

2. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb namens de minister is genomen door de ambtenaar die ook reeds het primaire besluit van 21 mei 2007 namens de minister had genomen. Hij verlangt een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat aan de minister wordt opgedragen alsnog bevoegdelijk in overeenstemming met artikel 10:3, derde lid, van de Awb op het bezwaar te beslissen.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.3. Vast staat dat verzoeker niet werkzaam is binnen het gezagsbereik van de minister. Dit brengt met zich dat tegen het besluit van 21 mei 2007 ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb geen beroep kon worden ingesteld en dus ook geen bezwaar open stond. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de Raad van

15 november 2006, LJN AZ3047 en TAR 2007, 26.

3.4. Hieruit volgt dat het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 21 mei 2007 naar voorlopig oordeel terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, zoals verzocht, bestaat reeds daarom onvoldoende grond.

3.5. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak doen.

4. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. van Kreveld als voorzieningenrechter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2008.

(get.) J.H. van Kreveld.

(get.) P.W.J. Hospel.

RH