Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
05-5708 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Diverse functies overschrijden belastbaarheid. Onvoldoende functies over om schatting op te baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5708 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2005, 05/35 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Namens appellante is mr. Broens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 21 mei 2002 met pijnklachten aan haar handen en armen als gevolg van RSI uitgevallen voor haar werkzaamheden als technisch auteur bij [werkgever]. Het medisch onderzoek heeft op 15 december 2003 plaatsgevonden. Op basis van de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) van 9 januari 2004 en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 26 januari 2004 heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit blijkens zijn rapportage van 9 februari 2004 berekend op 23,7%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 februari 2004 aan appellante met ingang van 6 mei 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 30 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat in de KFML is aangegeven dat appellante maximaal 2 uur per dag verspreid over de dag beeldschermwerk kan verrichten en dat dit niet kan in combinatie met werkdruk en dat het Uwv functies heeft geduid die overschrijdingen kennen van appellantes belastbaarheid op dit punt.

De Raad stelt allereerst vast dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet in geding is.

De Raad stelt vervolgens vast dat de arbeidskundige grondslag van de schatting berust op de functies arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (sbc-code 763100), arbeidsdeskundige (sbc-code 721011) en artsenbezoeker, dierenartsbezoeker

(sbc-code 694020). Uit de door het Uwv overgelegde gegevens blijkt dat de functies van arbeidsdeskundige en arbeidsbemiddelaar vereisen dat dagelijks gedurende drie tot vier uur een toetsenbord en/of een muis moeten worden bediend. De KFML van 9 januari 2004 vermeldt dat de belastbaarheid van appellante ten aanzien van het aspect 4.6, werken met toetsenbord en muis, beperkt is tot “max 2 uur per dag verspreid over de dag en dan niet icm tijdsdruk. Muis werk meer beperkt dat toetsenbord”.

De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal stelt in zijn rapport van 27 oktober 2004: “De functie “arbeidsbemiddelaar” kent 3-4 uur per dag beeldschermwerk verspreid over de dag. Hoewel de totale tijdsduur van het beeldschermwerk strikt genomen een overschrijding van de belastbaarheid vormt meen ik toch te moeten concluderen dat deze functie geschikt is. Het beeldschermwerk is nooit langer dan 10-15 minuten achtereen zodat voldoende tijd en ruimte is voor recuperatie door middel van het verrichten van een andere activiteit. In de tweede plaats vindt hoofdzakelijk toetsenbordbediening en in mindere mate (de voor blh belastender) muisbediening plaats. In de laatste plaats is er alle gelegenheid om het beeldschermwerk in een rustig tempo te verrichten omdat de mate van tijdsdruk als gering moet worden ingeschat. De tijdsplanning van de genoemde trajecten strekt zich uit over gemiddeld enkele maanden. Er bestaan dus ampele regelmogelijkheden in deze functie.” en “Voor de functie “arbeidsdeskundige” geldt hetzelfde. Er gelden voldoende regelmogelijkheden om de gemiddeld 12 gesprekken per week te verwerken in de computer en de tijdsduur van het aaneengesloten beeldschermwerk in eigen regie te houden.”

Op een daartoe strekkende vraag van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Admiraal in zijn rapportage van 10 augustus 2007 aangegeven: “Bij de beoordeling van de drie hoogstverlonende geduide functies heb ik inderdaad niet strikt vastgehouden aan de maximering van twee uur beeldschermwerk die de primaire VA bij 4.6 heeft opgenomen, maar gemotiveerd aangegeven waarom de overschrijding in totale tijdsduur beeldscherm toch acceptabel is. Zie aldaar”.

De Raad acht het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts een ontoelaatbare relativering die niet wordt gestaafd door de stukken. Indien de verzekeringsarts, zoals in casu, ten aanzien van het werken met toetsenbord en muis vastlegt dat twee uur verspreid over de dag de bovengrens is, dan verdraagt zich daarmee niet de latere nuancering dat de vastgestelde beperking incidenteel drie tot vier uur beeldschermwerk verspreid over de dag toelaat. Het Uwv heeft de Raad er dan ook niet van kunnen overtuigen dat in de functies arbeidsbemiddelaar en arbeidsdeskundige de belastbaarheid van appellante niet op ontoelaatbare wijze wordt overschreden. Deze functies dienen dan ook te vervallen, hetgeen gelet op de loonwaarde van de overige voor appelante geselecteerde functies zou leiden tot indeling van appellante in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante, bestaande uit wettelijke rente. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

GdJ