Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06-2863 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AX1984, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van het persoonsgebonden budget. Niet voldaan aan verplichting tot evenredige belangenafweging.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Algemene wet bestuursrecht 4:57
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet 2.5.6.12
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet 2.5.6.12
Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet 2.5.6.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/99 met annotatie van Van den Brink
AB 2008, 222 met annotatie van W. den Ouden
RSV 2008, 116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2863 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 april 2006, 05/4937 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het Zorgkantoor Nijmegen (hierna: Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Voor appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Zorgkantoor heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 17 maart 2004 heeft het Zorgkantoor aan appellante een netto persoonsgebonden budget ten behoeve van huishoudelijke verzorging toegekend over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2004 ten bedrage van € 979,49. Appellante is in dit besluit meegedeeld dat het bedrag bij wijze van voorschot wordt uitbetaald. Voorts is appellante meegedeeld welke verplichtingen verbonden zijn aan de besteding van het persoonsgebonden budget. Eén van die verplichtingen is dat appellante binnen acht weken na de voorschotperiode verantwoording moet afleggen over de besteding van het persoonsgebonden budget, waarbij zij een overzicht moet indienen met de vermelding van de namen, de adressen en de sofi-nummers van de zorgverleners. Van het toegekende persoonsgebonden budget is een bedrag van € 209,02 vrij besteedbaar. Dit bedrag hoeft appellante niet te verantwoorden.

1.2. Op 18 maart 2005 heeft appellante op het door haar ingevulde verantwoordingsformulier verklaard dat het huishoudelijke werk is gedaan met behulp van de kinderen, en dat de vergoeding heeft plaatsgevonden in de vorm van cadeaus, etentjes en uitstapjes.

1.3. Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft het Zorgkantoor appellante meegedeeld dat het persoonsgebonden budget over 2004 definitief is vastgesteld op het vrij besteedbare bedrag van € 209,02 zodat appellante, na overheveling van een bedrag van € 122,64 naar 2005, een bedrag van € 647,83 te veel heeft ontvangen. Dit bedrag dient zij terug te storten door middel van gebruik van een binnen 8 weken toe te sturen acceptgirokaart.

1.4. Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat het huishoudelijke werk verricht wordt door de kinderen en overige familieleden. Zij willen hiervoor geen geldelijke vergoeding en worden beloond in de vorm van een etentje, uitstapjes en cadeaus. Voorheen, onder de regeling persoonsgebonden budget oude stijl, vormde dit volgens appellante geen enkel probleem.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Daarbij gaat de Raad uit van de tekst van de regelgeving zoals deze gold ten tijde hier van belang.

4.1.1. Artikel 1p, aanhef en onder b, van de Ziekenfondswet bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat (…) ten laste van (…) het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies kunnen worden verstrekt voor voorzieningen die aan verzekerden ingevolge (…) de AWBZ kunnen worden geboden in plaats van een voorziening waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat.

4.1.2. Deze ministeriële regeling is de Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (Stcrt. 2000, 233; hierna: Regeling). Per 1 april 2003 is in paragraaf 2.5.6. van de Regeling het ‘persoonsgebonden budget nieuwe stijl’ ingevoerd (Stcrt. 2003, 45).

4.1.3. In artikel 2.5.6.8, eerste lid, van de Regeling is bepaald welke verplichtingen de verzekerde bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget worden opgelegd. Ingevolge artikel 2.5.6.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gebruikt de verzekerde het budget uitsluitend voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d, van de Regeling en de met die zorg noodzakelijk verbonden kosten.

Artikel 2.5.6.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling bepaalt dat de verzekerde bij de verantwoording over de laatste voorschotperiode van een kalenderjaar dan wel, in het kalenderjaar waarin de subsidieperiode eindigt, de laatste voorschotperiode in de subsidieperiode, per zorgverlener of zorgverlenende instantie een formulier voegt waarop hij naam, adres en sociaal-fiscaal nummer van de zorgverlener respectievelijk naam, adres en btw-nummer van de zorgverlenende instantie heeft aangetekend, alsmede het in dat kalenderjaar aan die zorgverlener of die zorgverlenende instantie betaalde bedrag.

4.1.4. Ingevolge artikel 2.5.6.12, eerste lid, van de Regeling wordt na afloop van ieder kalenderjaar de subsidie voor het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld.

Artikel 2.5.6.12, vijfde lid, van de Regeling bepaalt dat artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de som van:

a. 1,5% van het voor het kalenderjaar beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste op € 250,-- en ten hoogste op € 1.250,--; en

b. het restant van het voor het kalenderjaar beschikbare netto persoonsgebonden budget voor zover er betalingen mee zijn verricht als bedoeld in artikel 2.5.6.8, eerste lid, onderdeel a.

4.1.5. Artikel 2.5.6.12, zevende lid, van de Regeling bepaalt dat het zorgkantoor onverschuldigd betaalde bedragen van de verzekerde terugvordert of verrekent met door hem aan de verzekerde ter zake van persoonsgebonden budgetten verschuldigde bedragen.

4.1.6. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast. Artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat de subsidie lager kan worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.2.1. Blijkens de gedingstukken heeft appellante bij de verantwoording aan het Zorgkantoor geen opgave gedaan van de namen, adressen en sofi-nummers van de door haar ingeschakelde zorgverleners zodat zij niet heeft voldaan aan de bij de toekenning van het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen. Het Zorgkantoor is derhalve op grond van artikel 2.5.6.12, vijfde lid, van de Regeling in samenhang met artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd om het aan appellante toegekende persoonsgebonden budget over 2004 op een lager bedrag vast te stellen.

4.2.2. Ingevolge artikel 2.5.6.12, vijfde lid, van de Regeling is het Zorgkantoor gehouden om in de in die bepaling omschreven situaties het persoonsgebonden budget op een lager bedrag vast te stellen. In artikel 4:46, tweede lid, van de Awb wordt evenwel in de daar genoemde gevallen, waaronder het geval dat de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, aan het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid toegekend om tot lagere vaststelling van een subsidie over te gaan. Nu in zoverre sprake is van strijd tussen deze bepalingen van de Awb en de - lagere - Regeling, mist artikel 2.5.6.12, vijfde lid, van de Regeling, voor zover daarin is bepaald dat het Zorgkantoor gehouden is tot lagere subsidievaststelling, verbindende kracht.

4.2.3. Het Zorgkantoor dient de discretionaire bevoegdheid om de subsidie - in casu het persoonsgebonden budget - voor het jaar 2004 lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. De Raad is niet gebleken dat het Zorgkantoor bij zijn beslissing om de subsidie voor het jaar 2004 lager vast te stellen de rechtstreeks betrokken belangen van appellante op enigerlei wijze in een belangenafweging heeft betrokken, nu van enige belangenafweging niet is gebleken.

4.2.4. Het besluit van 27 oktober 2005, voor zover daarin de vaststelling van het persoonsgebonden budget over 2004 op € 209,02 is gehandhaafd kan gezien het vorenstaande wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb geen stand houden.

4.2.5. Dit betekent dat aan het besluit tot terugvordering van het over 2004 verleende persoonsgebonden budget ten bedrage van € 647,83 de grondslag is komen te ontvallen. Het besluit van 27 oktober 2005, voor zover dat ziet op de terugvordering, komt derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking.

4.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het Zorgkantoor opdragen om met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen. Het Zorgkantoor zal daarbij een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb moeten maken. Hierbij dient het Zorgkantoor aandacht te besteden aan de wijze waarop appellante het haar tot 1 maart 2004 toegekende persoonsgebonden budget heeft besteed en de wijze waarop door haar destijds daarover verantwoording is afgelegd.

5. Ten overvloede overweegt de Raad het volgende.

5.1. Ingevolge artikel 4:57 van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

5.2. Het Zorgkantoor is op grond van artikel 2.5.6.12, zevende lid, van de Regeling gehouden om het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante terug te vorderen dan wel te verrekenen met de aan haar verschuldigde bedragen, terwijl in artikel 4:57 van de Awb aan het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering is toegekend. Artikel 2.5.6.12, zevende lid, van de Regeling, dat van lagere orde is dan het voorschrift in de Awb, is in zoverre in strijd met artikel 4:57 van de Awb zodat artikel 2.5.6.12, zevende lid, van de Regeling, voor zover daarin de terugvordering van het aan de verzekerde onverschuldigd betaalde bedrag dan wel de verrekening daarvan met aan de verzekerde verschuldigde bedragen imperatief is bepaald, verbindende kracht mist.

5.3. Het vorenstaande betekent dat het Zorgkantoor, indien het in het nieuw te nemen besluit op bezwaar tot een lagere vaststelling van het aan appellante toegekende persoonsgebonden budget over 2004 zou komen, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om het op grond van die lagere vaststelling aan appellante onverschuldigd betaalde bedrag van haar terug te vorderen, gehouden is het geschreven en ongeschreven recht in aanmerking te nemen, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb vervatte verplichting tot belangenafweging.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 oktober 2005;

Bepaalt dat het Zorgkantoor een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat VGZ Zorgverzekeraar n.v. aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

IJ