Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06-2691 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het College de aanvraag van appellante om een traplift en een instapbad terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2691 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 maart 2006, 05/196 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W. Wijma, werkzaam bij Anker Rechtsbijstandsverzekeringen N.V. te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellante is - met kennisgeving - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.T de Paepe, werkzaam bij de gemeente Zwijndrecht.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 februari 1997 heeft het College appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) onder meer een financiële tegemoetkoming in de kosten van het aanbrengen van een hendelmengkraan voor de wastafel en het plaatsen van een verhoogde toiletpot met aan beide zijden een opklapbare beugel toegekend.

1.2. Door middel van een aanvraagformulier Wvg van 2 december 2003 heeft appellante het College verzocht om toekenning van de volgende voorzieningen: scootmobiel met schootskleed, een traplift en een instapbad. De eerder toegekende voorzieningen waren toen nog niet gerealiseerd.

1.3. Bij besluit van 18 mei 2004, verzonden 10 juni 2004, heeft het College - voor zover het woonvoorzieningen betreft - op grond van het bepaalde bij en krachtens de ten tijde in geding nog van kracht zijnde Wvg een financiële tegemoetkoming in de kosten van het aanbrengen van een hendelmengkraan voor de wastafel en het plaatsen van een verhoogde toiletpot met aan beide zijden een opklapbare beugel alsmede een postoel in bruikleen toegekend.

1.4. Bij besluit van 4 juni 2004, verzonden 10 juni 2004, heeft het College de aanvraag van appellante om een traplift en een instapbad afgewezen.

1.5. Appellante heeft bij brief van 19 juli 2004 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 juni 2004. Zij betwist de afwijzing van de traplift en het instapbad en geeft aan ook de volgende voorzieningen te wensen: toiletsteunen bij het bad en de wastafel alsmede een aanpassing van toilet, wastafel, kranen en een spiegel (hierna: de badkamervoorzieningen). Voorts heeft zij melding gemaakt van de wens van de woningeigenaar om van het College een vergoeding te ontvangen voor de kosten van het verwijderen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Zwijndrecht 2003 (hierna: de Verordening).

1.6. Bij besluit van 21 december 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van

4 juni 2004 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het bezwaar betrekking heeft op het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan de woningeigenaar. Hieraan ligt ten grondslag dat de aanvraag van 2 december 2003 en het besluit van 4 juni 2004 hierop geen betrekking hebben. Het bezwaar dat betrekking heeft op de badkamervoorzieningen, het aanbrengen van een instapbad en een nieuwe badlift is bij dit besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de badkamervoorzieningen ligt hieraan het standpunt ten grondslag dat deze voorzieningen niet zijn aangevraagd. Het bezwaar met betrekking tot de traplift is in zoverre gegrond verklaard, dat er onderzocht zal worden of een traplift de goedkoopste adequate oplossing biedt voor de belemmeringen die appellante ondervindt. Bij besluit van 31 december 2005 is de aanvraag van de traplift afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over het griffierecht - het besluit van 31 december 2005 en het besluit van 21 december 2004, voor zover dat laatste ziet op de traplift, vernietigd, het beroep in zoverre gegrond verklaard en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen over de afwijzing van de aanvraag van de traplift met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard, omdat dit beroep betrekking heeft op voorzieningen die niet zijn opgenomen in de aan het geschil ten grondslag liggende aanvraag van 2 december 2003.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen deze uitspraak, voor zover het beroep daarin ongegrond is verklaard, en het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

4. Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.

Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):

Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 4:1 van de Awb:

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Artikel 4:4 van de Awb:

Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Artikel 8:69 van de Awb

De rechtbank doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Artikel 6.1 van de Verordening:

Een aanvraag voor een voorziening dient vooraf te worden ingediend door middel van een door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld formulier.

5. De Raad stelt voorop dat het hoger beroep zich niet richt tegen de beslissingen van de rechtbank die betrekking hebben op de traplift.

6.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar met betrekking tot de aan de woningeigenaar te verstrekken financiële tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen.

6.2. Deze grief faalt. Uit artikel 8:69 van de Awb vloeit voort dat de omvang van het ingestelde beroep in beginsel bepalend is voor de omvang van het geschil. Onderdelen van het besluit waartegen niet is opgekomen, moeten door de rechter buiten beschouwing worden gelaten (MvT, Parl. Gesch. Awb II, blz. 463). De Raad is niet gebleken dat in de beroepsprocedure bij de rechtbank een grief is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zodat de rechtbank op grond van artikel 8:69 van de Awb niet bevoegd was om hierover een oordeel uit te spreken. De rechtbank heeft dit dan ook terecht niet gedaan.

7.1. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het beroep tegen de badkamervoorzieningen door de rechtbank ten onrechte ongegrond is verklaard. Zij stelt dat zij deze voorzieningen wel heeft aangevraagd, namelijk tijdens het huisbezoek van een Wvg-consulent van de gemeente Zwijndrecht op 22 januari 2004, welk huisbezoek naar aanleiding van haar aanvraag van 2 december 2003 heeft plaatsgevonden.

7.2. De Raad constateert dat in de - overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1:3, derde lid, 4:1 en 4:4 van de Awb en artikel 6.1 van de Verordening ingediende - aanvraag van 2 december 2003 uitsluitend de volgende woonvoorzieningen worden genoemd: een traplift en een instapbad. Het gespreksverslag van het huisbezoek op 22 januari 2004 biedt geen aanknopingspunten voor het aannemen van een aanvraag met een ruimere strekking dan hiervoor is aangegeven. Weliswaar is toen ook - ambtshalve - onderzocht of de in 1997 toegekende, maar nog niet gerealiseerde, woonvoorzieningen nog noodzakelijk waren, maar daaruit blijkt niet dat appellante met haar aanvraag beoogd heeft de (andere) badkamervoorzieningen aan te vragen. Bij het primair besluit van 4 juni 2004 is de aanvraag van appellante om een traplift en een instapbad afgewezen. Dit besluit heeft geen betrekking op de badkamervoorzieningen.

7.3. Nu de badkamervoorzieningen niet op de wettelijk voorgeschreven wijze zijn aangevraagd en het besluit van 4 juni 2004 geen beslissing over de badkamervoorzieningen bevat, had het College het bezwaar met betrekking tot de badkamervoorzieningen niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu de rechtbank het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de badkamervoorzieningen, ongegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar van 4 juni 2004 in zoverre in stand heeft gelaten, dient de aangevallen uitspraak op dit punt te worden vernietigd en het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar met betrekking tot de badkamervoorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren. De aangevallen uitspraak wordt voor het overige bevestigd.

8. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. Voor een veroordeling in de kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar ziet de Raad geen grond, aangezien in de bezwaarprocedure niet is gevraagd om vergoeding van deze kosten.

9. Samenvatting

Ten behoeve van appellante vat de Raad het voorgaande kort samen.

- De aan de woningeigenaar te verstrekken financiële tegemoetkoming in de kosten van

het verwijderen van voorzieningen

De rechtbank heeft hierover terecht geen oordeel uitgesproken, omdat appellante in

het beroepschrift hierover geen argumenten tegen het besluit op bezwaar van

21 december 2004 naar voren heeft gebracht.

- De badkamervoorzieningen

De Raad is uit de gedingstukken niet gebleken dat appellante deze heeft aangevraagd en het besluit van 4 juni 2003 heeft hierop ook geen betrekking. Daarom hoeft het College daarop in het besluit op bezwaar niet inhoudelijk in te gaan. Appellante krijgt dus ongelijk van de Raad.

Maar omdat het College het bezwaar ongegrond heeft verklaard, in plaats van niet-ontvankelijk, en de rechtbank dat niet gezien heeft, worden het besluit op bezwaar en de aangevallen uitspraak op grond van dit procedurele punt gedeeltelijk vernietigd en doet de Raad het vervolgens zelf over door het bezwaar van appellante met betrekking tot de badkamervoorzieningen niet-ontvankelijk te verklaren.

- Proceskosten

Omdat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk is vernietigd moet het College aan appellante wel het griffierecht en de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Over het griffierecht en de proceskosten die zij heeft gemaakt bij de rechtbank heeft de rechtbank al een veroordeling uitgesproken. Deze blijft geldig. De kosten die zij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar worden niet vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de badkamervoorzieningen;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de badkamervoorzieningen;

Verklaart het bezwaar van appellante voor zover dat betrekking heeft op de badkamervoorzieningen niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

IJ