Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06-880 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straf van disciplinair ontslag berust op goede gronden en is niet onevenredig aan de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/880 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van wijlen [Betrokkene], gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 december 2005, 04/1276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Van de erven is verschenen [naam dochter], dochter van wijlen [Betrokkene] (hierna: [betrokkene]), vergezeld door [naam voormalig partner], voormalig partner van [betrokkene], en bijgestaan door mr. H. den Besten, advocaat te Almere. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.C. Balke, juridisch adviseur te Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. [betrokkene] was sinds 1 juni 1991 werkzaam als receptioniste/telefoniste bij de gemeente Zeewolde. In 2001 en 2002 is zij in betalingsproblemen geraakt hetgeen er toe heeft geleid dat er in januari 2001 en in april 2002 derdenbeslag op haar loon is gelegd.

1.2. In februari 2003 heeft [betrokkene] zich ziek gemeld. In maart 2003 is zij in verband met depressieve klachten door haar huisarts verwezen naar een psycholoog.

Bij besluit van 7 maart 2003 is [betrokkene] in verband met plichtsverzuim de disciplinaire straf opgelegd van niet-betaling van het halve salaris over een halve maand, omdat zij eerder gemaakte afspraken over het overleggen van bankafschriften niet was nagekomen.

Nadat zij in maart 2003 twee maal niet was verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts, heeft deze haar naar aanleiding van een spreekuurbezoek op 31 maart 2003 per 7 april 2003 voor 50% arbeidsgeschikt verklaard.

[betrokkene] heeft haar werkzaamheden, ook na een expliciete oproep daartoe, niet hervat, ook niet, naar aanleiding van een nader advies van de bedrijfsarts, om voor 50% te hervatten op basis van arbeidstherapie.

1.3. Per 12 mei 2003 is [betrokkene] voor 25% arbeidsgeschikt verklaard en heeft zij haar werkzaamheden voor enkele uren per dag hervat. Op 3 juni 2003 heeft zij aangegeven dat er sprake is van een terugslag en dat zij stopt met de re-integratie. Op 6 juni 2003 is [betrokkene] opnieuw niet bij de bedrijfsarts verschenen.

In juli 2003 is samen met [betrokkene] een plan van aanpak opgesteld inhoudend dat het aantal uren dat zij zou gaan werken vanaf augustus 2003 geleidelijk zou worden uitgebreid.

1.4. Op 4 augustus 2003 heeft [betrokkene] telefonisch om toestemming verzocht om naar Suriname te gaan in verband met ernstige ziekte van haar broer en een bezoek aan haar moeder. Zij heeft echter het verlenen van toestemming niet afgewacht en is naar Suriname afgereisd.

Nadat pogingen om met haar in contact te komen vruchteloos waren gebleven heeft het college bij brief van 28 augustus 2003 het voornemen kenbaar gemaakt haar per 1 oktober 2003 wegens ernstig plichtsverzuim ontslag te verlenen wegens het zich onttrekken aan werkhervatting, zich onttrekken aan contacten met de werkgever en het niet voldoen aan redelijke voorschriften.

1.5. Nadat een reactie op dit voornemen was uitgebleven heeft het college bij besluit van 10 september 2003 overeenkomstig het voornemen [betrokkene] per 1 oktober 2003 disciplinair ontslag verleend.

1.6. In december 2003 is [betrokkene] na verwijzing door de behandelend psycholoog onder behandeling gekomen van een psychiater.

1.7. Het college heeft het ontslagbesluit, na bezwaar, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie - welke commissie op haar beurt omtrent de toerekenbaarheid advies had gevraagd aan B. Oskam, psychiater-psychoanalyticus te Bennekom - gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 september 2004.

Namens [betrokkene] is tegen dat besluit beroep ingesteld.

2. Op 9 januari 2005 is [betrokkene] tengevolge van een ernstige hartafwijking overleden. Appellanten hebben besloten de procedure voort te zetten.

Aan [betrokkene] is met ingang van februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de handelwijze van [betrokkene] in augustus 2003 die de aanleiding vormde tot het disciplinair ontslag, is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet in geschil is dat [betrokkene] leed aan een depressief stemmingsbeeld met vitale sympto-matologie, waarvan de ernst door de bedrijfsarts onvoldoende is onderkend. Volgens de rechtbank moet er echter op grond van het rapport van de psychiater Oskam van worden uitgegaan dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de haar verweten handelwijze.

De rechtbank heeft de sanctie van ontslag niet onevenredig geacht. De rechtbank heeft daarbij laten wegen dat uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene] zich al enige jaren weinig aantrok van afspraken en dat pogingen om met haar in gesprek te komen steeds op niets uitliepen.

Voorts is zij in 2003 ondanks waarschuwingen voor disciplinaire maatregelen opnieuw meerdere afspraken niet nagekomen, culminerend in augustus 2003 in het zonder toestemming van het college voor enkele weken naar Suriname vertrekken, waardoor zij ook niet verscheen op een afspraak met haar afdelingshoofd over re-integratie. Het gegeven dat re-integratie achteraf bezien niet aan de orde was ontsloeg volgens de rechtbank [betrokkene] niet van haar verplichting zich te houden aan de regels voor verzuim wegens ziekte en brengt niet mee dat de sanctie van ongevraagd ontslag voor onevenredig moet worden gehouden.

4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot dat oordeel is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

4.1. Dat [betrokkene] ondanks het feit dat de bedrijfsarts uit medisch oogpunt geen bezwaar had tegen de reis naar Suriname, wist en besefte dat zij toestemming van het college voor die reis nodig had, blijkt uit het feit dat zij die toestemming ook daadwerkelijk heeft gevraagd. [betrokkene] heeft evenwel om haar moverende redenen niet meer gereageerd op een brief van het college met nadere vragen over het gewenste verblijf in Suriname en heeft de gevraagde toestemming niet afgewacht.

4.2. Ook de Raad gaat er op grond van het rapport van de psychiater Oskam van uit dat [betrokkene] verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze keuze en voor haar handelwijze. In hetgeen van de zijde van appellanten is aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt om het oordeel van de deskundige Oskam voor onjuist te houden. Dit betekent dat ook de Raad met het college en de rechtbank van oordeel is dat [betrokkene] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

4.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van het college en de rechtbank dat uit de gedingstukken naar voren komt dat [betrokkene] herhaaldelijk niet is verschenen bij afspraken en herhaaldelijk niet heeft gereageerd op oproepen. Daarbij is zij in ieder geval bij aangetekende brieven van 15 november 2002 en van 18 december 2002 uitdrukkelijk gewezen op de verplichting om gemaakte afspraken na te komen en is zij uitdrukkelijk gewaarschuwd dat het niet verschijnen zou worden aangemerkt als plichtsverzuim dat zou kunnen leiden tot een disciplinaire maatregel. Voorts is zij om die reden in maart 2003 reeds disciplinair gestraft. Ook bij brief van 16 april 2003 is nog expliciet aan haar kenbaar gemaakt dat volgend plichtsverzuim zou leiden tot disciplinair ontslag.

4.4. De stelling dat het college al langere tijd aan het zoeken was naar mogelijkheden om de arbeidsrelatie met [betrokkene] te beëindigen hebben appellanten in het geheel niet onderbouwd. Integendeel. Uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene] over een langere periode bezien herhaaldelijk op het niet nakomen van haar verplichtingen is gewezen waarna pas in augustus 2003, toen contact met [betrokkene] niet mogelijk bleek, tot strafontslag is overgegaan

4.5. Gegeven deze herhaalde waarschuwingen en gegeven het oordeel van de deskundige dat [betrokkene] in de periode in geding niet lijdende was aan psychotische symptomatologie en verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar handelen en nalaten, is de Raad van oordeel dat het besluit van het college om [betrokkene] disciplinair ontslag te verlenen op goede gronden berust en dat deze straf niet onevenredig is aan de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Het feit dat zij in die periode ook geen arbeidsprestatie had kunnen leveren doet aan dat oordeel niet af.

5. Het hoger beroep van appellanten kan niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD