Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06/4397 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO-uitkering. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4397 WAO en 06/4766 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Betrokkene] en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2006, 05/4118 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv

Datum uitspraak: 1 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007. Betrokkene was vertegenwoordigd door haar echtgenoot E.J.L. van Dal. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 1 april 2004 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 1 december 2003 tot weigering aan betrokkene per 5 november 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

Het door betrokkene tegen het besluit van 1 april 2004 ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 22 juni 2005 – voor zover hier van belang – gegrond verklaard en het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank is in deze uitspraak, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 1 april 2004 juist is. Vernietiging van het besluit van 1 april 2004 heeft plaatsgevonden omdat het besluit niet berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

Betrokkene noch het Uwv heeft tegen deze uitspraak een rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft het Uwv – uitvoering gevend aan de opdracht van de rechtbank gegeven in de uitspraak van 22 juni 2005 – opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene gericht tegen het besluit van 1 december 2003.

Het Uwv heeft bij dit besluit het bezwaar van betrokkene wederom ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de resultaten van een nader door de bezwaararbeidsdeskundige ingesteld onderzoek.

Het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 28 oktober 2005 vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen, het door betrokkene gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen en besluiten genomen omtrent proceskosten en griffierecht.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat nu in de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2005 reeds een oordeel is gegeven over de medische component van het besluit van 1 april 2004 en tegen die uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend, de door betrokkene in deze procedure naar voren gebrachte gronden betreffende het medisch onderzoek niet opnieuw kunnen worden getoetst.

Vernietiging van het besluit van 28 oktober 2005 heeft plaatsgevonden omdat niet op voldoende transparante, verifieerbare en toetsbare wijze is aangegeven dat de betrokkene geduide functies vallen binnen de door de (bezwaar)verzekeringsarts aangegeven mogelijkheden. Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als haar oordeel neergelegd dat de betrokkene voorgehouden functie assistent consultatiebureau voor haar niet geschikt is.

Betrokkene en het Uwv hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

De Raad overweegt ter zake als volgt.

In haar uitspraak van 22 juni 2005 heeft de rechtbank de door betrokkene ingediende gronden die zagen op de medische component van het besluit van 1 april 2004 nadrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. De Raad wijst erop dat – wat daar overigens ook van zij – zelfs in het dictum van de uitspraak is opgenomen dat het beroep gegrond wordt verklaard voor zover het de arbeidskundige grondslag van het besluit van 1 april 2004 betreft, het besluit in zoverre wordt vernietigd en is bepaald dat het Uwv in zoverre een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

In het geval betrokkene het met die uitspraak niet eens was had zij gebruik dienen te maken van de mogelijkheid tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen. Nu betrokkene dit niet heeft gedaan is het oordeel van de rechtbank over de medische component van het besluit van 1 april 2004 in deze procedure niet meer aantastbaar.

Het Uwv heeft zich mitsdien in het besluit van 28 oktober 2005 terecht beperkt tot de arbeidskundige kant van het geschil. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de door betrokkene in beroep naar voren gebrachte grieven van medische aard buiten beschouwing dienen te blijven.

Dit neemt overigens niet weg dat indien de medische situatie van betrokkene na 5 november 2003 is gewijzigd betrokkene zich met een nieuwe aanvraag om een uitkering tot het Uwv kan wenden.

Het Uwv heeft in hoger beroep alsnog nader inzicht verschaft in de functies die betrokkene zou kunnen vervullen. Kort samengevat heeft het Uwv een functie laten vervallen en aangegeven dat de resterende zogenoemde primair geduide SBC-codes die de schatting dragen voldoende functies vertegenwoordigen. Per functie is aan de hand van de in die functies voorkomende belastingen en de voor betrokkene geldende beperkingen gemotiveerd aangegeven dat deze functies voor betrokkene geschikt zijn.

Op basis van hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd is de Raad niet gebleken dat betrokkene – uitgaande van de voor haar geldende medische beperkingen – de door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen.

Onder de vorengeschetste omstandigheden is de Raad van oordeel dat het door betrokkene ingestelde hoger beroep geen doel treft.

Het door het Uwv ingestelde hoger beroep treft evenmin doel.

De in hoger beroep gegeven uiteenzetting omtrent de passendheid van de – uiteindelijk – aan de schatting ten grondslag gelegde functies is zoals hiervoor overwogen weliswaar juist, maar neemt niet weg dat – nu deze uiteenzetting niet aan het besluit van 28 oktober 2005 ten grondslag lag en evenmin in de procedure bij de rechtbank is ingebracht – het door de rechtbank gegeven oordeel omtrent de arbeidskundige component van de schatting en de gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit juist was.

Van het Uwv zal mitsdien griffierecht worden geheven.

Wel ziet de Raad in de nadere door het Uwv in hoger beroep gegeven toelichting ter finale beslechting van het geschil aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 oktober 2005 in stand blijven.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 28 oktober 2005 geheel in stand blijven;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM