Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06-5779 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging voorschot WW-uitkering omdat betrokkene zich niet heeft gehouden op de haar rustende sollicitatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5779 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 september 2006, 05/1576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 31 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Krijgsman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Stichting voor Openbaar Verenigd Onderwijs in Gorinchem en de regio heeft de Raad medegedeeld niet deel te nemen aan het geding.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier in geding.

2.1. Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het Uwv appellante, wier tijdelijke aanstelling als docent aan het [naam College] op 31 juli 2005 afliep, naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering ingevolge de WW met ingang van 1 augustus 2005 een voorschot toegekend. Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het Uwv dit voorschot verlaagd met 20% over 16 weken, omdat appellante zich naar de mening van het Uwv in de periode van 1 augustus 2005 tot 5 september 2005 niet heeft gehouden aan de ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW op haar rustende sollicitatieverplichting.

2.2. Bij besluit van 18 november 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor appellantes rekening te komen dat de beweerdelijk door haar met diverse scholen gevoerde telefoongesprekken niet verifieerbaar zijn, doordat zij niet heeft genoteerd met wie en waarover zij heeft gesproken en heeft het Uwv terecht het standpunt ingenomen dat appellante de sollicitatieverplichting niet is nagekomen.

4. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij wel voldoende verifieerbare sollicitatieactiviteiten heeft verricht in de periode van 1 augustus 2005 tot 5 september 2005. Ter ondersteuning daarvan heeft zij gewezen op het reeds in de beroepsprocedure bij de rechtbank overgelegde overzicht van door haar in die periode met een aantal onderwijsinstellingen gevoerde telefoongesprekken en op een tweetal, eveneens reeds in de beroepsprocedure bij de rechtbank overgelegde verklaringen van personen met wie zij heeft gesproken. Appellante heeft zich erover beklaagd dat het Uwv geen poging heeft ondernomen om deze telefonische sollicitaties te verifiëren.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is de werknemer verplicht te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. In de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (hierna: Besluit Sollicitatieplicht) heeft het Uwv zijn beleid neergelegd ter zake van deze verplichting. Onder het kopje ‘Sollicitatieplicht werknemers tijdens het ontvangen van WW-uitkering’ is bij het tweede gedachtestreepje gesteld dat van de werknemer die in aanmerking komt voor een WW-uitkering in het algemeen wordt verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Sinds augustus 2003 gaat het Uwv ervan uit dat aan deze verplichting is voldaan indien de werknemer over een periode van vier weken gemiddeld één sollicitatie per week verricht.

In artikel 27, derde lid, van de WW is bepaald dat het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert indien de werknemer de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet of niet behoorlijk is nagekomen. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit Uwv bedragen bij het niet of niet behoorlijk nakomen van deze verplichting de hoogte en de duur van de maatregel 20% gedurende 16 weken.

5.2. Ter zitting heeft appellante bevestigd dat zij bij het indienen van haar aanvraag de brochure ‘Aan welke regels moet ik mij houden’ heeft ontvangen, waarin is aangegeven dat sollicitatieactiviteiten aantoonbaar moeten zijn en dat van een sollicitatiebrief of -mail en van de reactie van de werkgever een kopie bewaard moet worden. De Raad leidt hieruit af dat het appellante duidelijk kon zijn wat van haar werd verwacht. Dat zij, zoals ter zitting door haar medegedeeld, de brochure niet goed heeft gelezen, dient voor haar risico te komen.

5.3. Op het werkbriefje met betrekking tot de periode van 1 augustus 2005 tot 5 september 2005 heeft appellante aangegeven één sollicitatie te hebben verricht. Appellante heeft vervolgens in een toelichting op haar sollicitatiegedrag aan het Uwv medegedeeld dat zij in de in geding zijnde periode wekelijks vacatures bekeek, was ingeschreven bij een wervingsbureau en veelvuldig bij scholen telefonisch informeerde naar een baan. De Raad is van oordeel dat deze activiteiten van appellante niet als sollicitatieactiviteiten in de zin van het Besluit Sollicitatieplicht kunnen worden aangemerkt. Wat betreft de door appellante beweerdelijk gedane telefonische sollicitaties stelt de Raad zich achter de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daaraan toe, dat één van de verklaringen waarop appellante zich in dit verband heeft beroepen reeds buiten beschouwing moet blijven omdat die de vacature betreft die appellante heeft ingevuld op het werkbriefje en dat aan de andere verklaring geen betekenis kan worden gehecht, omdat deze geen uitsluitsel geeft over de vraag of daadwerkelijk telefonisch contact met appellante heeft plaatsgehad. Voorts is het bekijken van vacatures niet te beschouwen als een sollicitatieactiviteit en is de inschrijving bij een wervingsbureau in dit geval terecht buiten beschouwing gebleven, omdat die inschrijving volgens mededeling van appellante ter zitting dateert van vóór 1 augustus 2005.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellante in de periode van 1 augustus 2005 tot 5 september 2005 haar sollicitatieverplichting niet is nagekomen.

5.5. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het niet nakomen van genoemde verplichting appellante niet geheel kan worden verweten, heeft het Uwv redelijkerwijs kunnen besluiten om bij de bepaling van de hoogte van het voorschot rekening te houden met een maatregel van 20% gedurende 16 weken.

6. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.C.F. van Baalen.

HD