Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
06-3932 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht het verzoek afgewezen om aanpassing van de aanvulling van betrokkenes invaliditeitspensioen? Toewijzing wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3932 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2006, 04/3464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en een op 22 november 2007 genomen nieuw besluit op bezwaar toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Namens appellant is verschenen mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld. De minister heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 21 juli 1993 is aan appellant over de periode van 1 januari 1993 tot 1 juli 2004 een uitkering op grond van artikel I-E20 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) toegekend ter hoogte van 18% van het door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds aan appellant toegekende invaliditeitspensioen. Hoofdstuk I-E van het Rpbo is per 1 januari 1996 vervallen door de inwerkingtreding van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA). Sindsdien is sprake van een uitkering op grond van artikel 41 van het BZA (hierna: aanvulling).

1.2. Appellant heeft in een brief van 26 februari 2004 verzocht om aanpassing van de aanvulling vanaf 1 januari 2001, omdat de sindsdien uitbetaalde aanvulling minder bedraagt dan 18% van zijn invaliditeitspensioen. De minister heeft dit verzoek bij besluit van 5 april 2004 afgewezen en deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 juli 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 april 2004 niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens zijn daarbij bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant uitsluitend werkzaam is geweest in het bijzonder onderwijs, dat de aanvulling uitsluitend is gebaseerd op een dienstverband met de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (hierna: OMO) te Tilburg, dat OMO niet als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt en dat de brief van de minister van 5 april 2004 dus niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De minister, die aanvankelijk in zijn verweerschrift het oordeel van de rechtbank onderschreef, heeft bij brief van 10 augustus 2007 aangegeven dat hij op grond van artikel 41, eerste lid, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, ten derde, van het BZA bevoegd is beslissingen te nemen ten aanzien van het recht op uitkering ingevolge artikel 41 van het BZA.

4.2. De Raad onderschrijft dit standpunt van de minister. Met partijen is de Raad daarom voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de brief van de minister van 5 april 2004 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. De minister is immers een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb en de in zijn brief van 5 april 2004 vervatte beslissing houdt een publiekrechtelijke rechtshandeling in.

Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte, met vernietiging van het besluit op bezwaar van 12 juli 2004, zelf voorziend het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 april 2004 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. De Raad ziet geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank en zal zelf de zaak inhoudelijk beoordelen.

5.1. Bij het in rubriek I genoemde nieuwe besluit op bezwaar van 22 november 2007 heeft de minister erkend dat het bestreden besluit van 12 juli 2004 niet juist was en dat vanaf 1 januari 2001 de aanvulling niet op een juiste wijze is geïndexeerd. De wel juiste indexering - dit wil zeggen indexering op hetzelfde moment waarop en met hetzelfde percentage als waarmee het invaliditeitpensioen van appellant wordt geïndexeerd - heeft geleid tot een aanpassing van de aanvulling en een nabetaling over de periode van 1 januari 2001 tot 1 juli 2004 van € 3.290,63.

De Raad merkt op dat de standpuntwijziging in het besluit van 22 november 2007 impliceert dat ook het besluit van 5 april 2004 niet juist was.

5.2. Nu het besluit van 22 november 2007 naar grondslag en reikwijdte een wijziging van het bestreden besluit inhoudt en met dit besluit niet geheel aan het beroep tegemoet is gekomen moet het beroep van appellant ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 november 2007.

5.3. In het kader van de beoordeling van laatstgenoemd besluit stelt de Raad vast dat appellant aanvankelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de nabetaling van de aanvulling over het jaar 2004. Na uitleg van de minister heeft appellant zijn bezwaar over het jaar 2004 laten vallen, maar bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de nabetaling van de aanvulling over het jaar 2003. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zijn stelling dat de hoogte van de nabetaling van de aanvulling over het jaar 2003 niet juist is, onvoldoende onderbouwd. Deze grief slaagt niet en daarmee ook niet het beroep van appellant tegen het besluit van 22 november 2007.

6. De gevraagde vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van de aanvulling over de periode van 1 januari 2001 tot 1 juli 2004 komt voor toewijzing in aanmerking. Door het alsnog honoreren van het verzoek om indexering staat vast dat sprake was van een onrechtmatig besluit waardoor appellant schade heeft geleden die met toepassing van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komt. Appellant heeft primair gesteld dat de wettelijke rente moet worden berekend vanaf 1 januari 2001 en subsidiair vanaf 12 juli 2004. De Raad wijst de primaire stelling af, omdat appellant tegen de betalingen van zijn aanvulling vanaf 1 januari 2001 geen bezwaar heeft gemaakt en daardoor de aan deze betalingen ten grondslag liggende besluiten niet als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. De Raad wijst het subsidiaire verzoek wel toe. De minister is wettelijke rente verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand na de datum van het bestreden besluit van 12 juli 2004, derhalve vanaf 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 966,- aan kosten van rechtsbijstand en tot een bedrag van € 172,99 aan reiskosten, in totaal € 1.138,99.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 april 2004 niet-ontvankelijk is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 november 2007 ongegrond;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade als in overweging 6. is uiteengezet;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.138,99, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD