Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
06-2417 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Door eigen schuld of toedoen werk kwijtgeraakt. Verwijtbaarheid.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 8
Werkloosheidswet 21
Werkloosheidswet 22b
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/90
RSV 2008, 168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2417 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 maart 2006, 05/1671 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

appellant.

atum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.S. van Loon, werkzaam bij Capra, advocaten en procureurs te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. L.I. Olivier, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, gereageerd op de hoger beroepschriften en op de verweerschriften.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Het Uwv heeft aldaar het hoger beroep ingetrokken. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Loon, voornoemd. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Rial Calvo, kantoorgenoot van mr. Olivier voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) alsmede de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 januari 2003 voor 36 uur per week aangesteld als ambtenaar van de gemeente Maastricht (hierna ook: werkgever) in de functie van projectmanager bij het projectbureau van de dienst [naam dienst]. Het betreft een tijdelijke aanstelling, bij wijze van proef, voor de duur van één jaar. Deze aanstelling is op 19 december 2003 verlengd tot en met 31 december 2004. In verband met zijn voornemen om als zelfstandige te starten is betrokkene op zijn verzoek met ingang van 1 juni 2004 eervol ontslagen. De gemeente heeft hem over de periode van 1 juni 2004 tot en met

31 december 2004 een inkomensgarantie toegekend. Omdat betrokkene onvoldoende opdrachten kreeg heeft hij per

1 januari 2005 zijn werk als zelfstandige beëindigd en WW-uitkering aangevraagd. Bij besluiten van 11 februari 2005 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 3 januari 2005 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend, respectievelijk - namens de werkgever - een bovenwettelijke uitkering. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt, van mening zijnde dat betrokkene door zijn ontslagname niet als onvrijwillig werkloos kan worden aangemerkt. Nu betrokkene op eigen verzoek ontslag heeft genomen per 1 juni 2004 is het herkrijgen van het werknemerschap volgens appellant niet aan de orde.

1.2. Bij besluit van 3 augustus 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de aan betrokkene toegekende WW-uitkering met ingang van die datum beëindigd. Overwogen is in de eerste plaats dat het werknemerschap verloren gaat door het verrichten van werkzaamheden die niet tot verzekeringsplicht leiden. Als de betrokken persoon, die voor zichzelf gaat beginnen, zijn pogingen om zich als zelfstandige te vestigen ziet mislukken, kan hij het werknemerschap terugkrijgen en recht op een WW-uitkering krijgen of kan een oud recht herleven, mits de volledige en definitieve beëindiging van de activiteiten als zelfstandige binnen anderhalf jaar na de aanvang van die werkzaamheden plaatsvindt. In de tweede plaats is overwogen dat in de WW is bepaald dat een werknemer moet voorkomen dat hij werkloos wordt of blijft, doordat hij door eigen toedoen passende arbeid kwijtraakt, in welk geval de wet voorschrijft dat de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd. Vervolgens is - kort gezegd - overwogen dat betrokkene en de gemeente het niet geheel eens waren over de invulling van de functie en dat dit uiteindelijk heeft geleid tot de ontslagname van betrokkene per 1 juni 2004 om zijn eigen bedrijf op te zetten waarbij hij tot 1 januari 2005 loonsuppletie zou ontvangen. Het Uwv stelt dat betrokkene een inschatting heeft gemaakt van de mogelijkheden van zijn bedrijf en dat de omstandigheid dat zijn verwachting niet bewaarheid is geworden, niet voor risico van de WW kan komen. Het Uwv wijst erop dat de gemeente weliswaar kritiek had op het functioneren van betrokkene, maar kennelijk voldoende vertrouwen had dat hij aan de functie-eisen zou kunnen voldoen, omdat anders niet was besloten tot verlenging van het tijdelijke dienstverband tot 1 januari 2005. Het Uwv acht sprake van een reële kans dat het dienstverband ook na 1 januari 2005 zou zijn verlengd. Door zijn ontslagname, zonder dat van zwaarwegende redenen is gebleken om het dienstverband niet voort te zetten, heeft betrokkene ook de reële kans laten lopen om na 1 januari 2005 een vast dienstverband te verwerven.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv ten aanzien van de bovenwettelijke uitkering overwogen dat appellant weliswaar als werkgever niet de mogelijkheid heeft om bezwaar te maken tegen de toekenning daarvan, maar dat, omdat deze alleen wordt toegekend als recht op WW-uitkering bestaat, ook de bovenwettelijke uitkering met ingang van

3 augustus 2005 zal worden beëindigd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, beslissende op het door betrokkene ingestelde beroep tegen het bestreden besluit, dat besluit in de eerste plaats vernietigd omdat de WW-uitkering in strijd met artikel 22b van de WW per datum van het bestreden besluit is beëindigd in plaats van met ingang van de dag na de bekendmaking van dat besluit.

2.2. Ten aanzien van de opgelegde maatregel heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv heeft bevestigd dat deze berust op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, ingevolge welke bepaling de werknemer dient te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene terecht verweten dat hij door zijn ontslagname per 1 juni 2004 door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De rechtbank is van oordeel dat aangenomen moet worden dat de werkgever de aanstelling van betrokkene niet tot 1 januari 2005 zou hebben verlengd indien, zoals betrokkene stelt, er een onwerkbare situatie zou hebben bestaan tussen betrokkene en diens leidinggevende. De rechtbank is niet gebleken dat van betrokkene in redelijkheid niet kon worden gevergd het dienstverband voort te zetten tot 1 januari 2005.

2.3. Met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak (waarin voor eiser betrokkene moet worden gelezen) het volgende overwogen: “In de toelichting bij de collegenota van SOG d.d. 23 april 2004 is vermeld dat er wederzijds niet voldoende vertrouwen bestaat dat een verlenging van het proefjaar zal leiden tot een vaste aanstelling. Voorts is vermeld dat er te weinig garanties bestaan dat een verlenging van de proeftijd tot succes, lees vaste aanstelling, zal leiden. Op grond van deze toelichting in samenhang met eisers slechte beoordeling over het voorafgaande jaar, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat eisers aanstelling per 1 januari 2005 zou worden beëindigd. Dit betekent dat eiser nog maximaal 7 maanden had kunnen werken voor de gemeente. Aangezien eiser met de gemeente was overeenge-komen dat zijn salaris in deze periode door de gemeente zou worden gesuppleerd en eiser dientengevolge eerst op 3 januari 2005 werkloos is geworden, is de rechtbank van oordeel dat het niet nakomen door eiser van de verplichting van artikel 24 van de WW hem niet in overwegende mate kan worden verweten.”

2.4. De rechtbank heeft, onder gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens zijn beslissingen gegeven inzake de proceskosten en het griffierecht.

3.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat verband is feitelijk aangevoerd dat op 23 april 2004 nog geenszins de conclusie kon worden getrokken dat betrokkene per 1 januari 2005 géén vaste aanstelling zou zijn verleend. Voorts acht appellant, onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 30 november 2005, LJN AU7754, de wetenschap daaromtrent niet van belang, nu tussen de ontslagname en 1 januari 2005 meer dan drie maanden zijn gelegen.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep betoogd dat hem in het geheel geen verwijt gemaakt kan worden van het niet behouden van zijn arbeid bij de gemeente Maastricht. Hij benadrukt dat het initiatief om tot beëindiging van de aanstelling per 1 juni 2004 te komen in hoofdzaak van de gemeente is uitgegaan. Subsidiair stelt hij zich achter de overwegingen van de rechtbank.

3.3. Het Uwv sluit zich aan bij de stellingen van appellant, welke insteek hij stelt ook te hebben gehad in de primaire beslissingsfase.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv zowel bij het nemen van het primaire besluit als het bestreden besluit ervan is uitgegaan dat betrokkene met ingang van 1 januari 2005 het werknemerschap met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de WW heeft herkregen en dat het recht op WW-uitkering per die datum geheel is herleefd. Voor dit geding moet daarvan worden uitgegaan. Voorts stelt de Raad vast dat het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 22b van de WW niet is aangevochten.

4.2. Het Uwv heeft ook ter zitting van de Raad bevestigd dat de bij het bestreden besluit toegepaste maatregel berust op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW in verbinding met artikel 27, eerste lid, van de WW. Bij de keuze van die grondslag heeft het Uwv kennelijk voor ogen gehad dat eerst per 1 januari 2005 werkloosheid is ontstaan en wel als gevolg van het, aan betrokkene te verwijten, niet verlengd zijn van de aanstelling. Dat uitgangspunt acht de Raad niet juist. Hij licht dat toe als volgt.

Betrokkene verloor op 1 juni 2004 al zijn arbeidsuren als werknemer bij de gemeente [naam werkgever]. Tevens verloor hij het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. Met partijen gaat ook de Raad ervan uit dat de inkomensgarantie niet kan worden gelijkgesteld met een dergelijk recht. Voorts wijst niets erop dat betrokkene niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, in welk verband de Raad wijst naar zijn vaste rechtspraak (waaronder zijn uitspraak van 15 maart 2006, LJN AV8250) welke inhoudt dat het zich beschikbaar houden voor werkzaamheden als zelfstandige ook onder beschikbaarheid voor arbeid wordt begrepen. Nu betrokkene ook aan de overige voorwaarden voor het ontstaan van recht op WW-uitkering voldoet, komt hem ingaande 1 juni 2004 recht op WW-uitkering toe. Dat recht op uitkering is echter op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid van dat artikel terstond geëindigd terzake van het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten. In dat verband wijst de Raad nog op zijn uitspraak van 19 april 2006, LJN AW9255, USZ 2006/183. Op grond van artikel 21, eerste lid, in verbinding met artikel 8, tweede lid, van de WW is het recht op uitkering per 1 januari 2005 herleefd. De vraag of een maatregel kan worden toegepast, moet echter in het geval van betrokkene nog steeds worden beantwoord aan de hand van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De werkloosheid is immers ontstaan als gevolg van de ontslagname per 1 juni 2004. Dat intussen per diezelfde datum het recht op uitkering was geëindigd door het gaan verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, doet daaraan, gelet op de verplichting die artikel 27 van de WW op het Uwv legt om een maatregel toe te passen, niet af.

4.3. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste grondslag en de rechtbank heeft dat besluit dan ook terecht vernietigd. Met het oog op de verdere besluitvorming door het Uwv overweegt de Raad het volgende.

4.4. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Indien de werknemer die verplichting niet nakomt weigert het Uwv ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval wordt het uitkeringspercentage gedurende 26 weken verlaagd van 70 naar 35.

4.5. Naar het oordeel van de Raad valt betrokkene te verwijten dat hij ontslag heeft genomen. De Raad is niet van zodanige omstandigheden gebleken dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van betrokkene gevergd kon worden. Betrokkene heeft gesteld dat sprake was van het ontbreken van ‘chemie’ met zijn meerdere, dat blijven geen optie was omdat hij ‘aangeschoten wild’ was en dat er allengs een verstoorde arbeidsverhouding met die meerdere was ontstaan. Die stellingen acht de Raad enerzijds niet voldoende onderbouwd. Anderzijds, zo daarvan kan worden uitgegaan, acht de Raad daarin onvoldoende argumenten voor betrokkene gelegen om het dienstverband voortijdig te beëindigen. Het Uwv wijst er terecht op dat, als er een onwerkbare situatie was ontstaan, het zeer onwaarschijnlijk moet worden geacht dat appellant de tijdelijke aanstelling had verlengd tot 1 januari 2005. Dat er tussen de datum van verlenging en het ontslagverzoek een zodanig ernstige situatie was ontstaan die alsnog tot een aan appellant te wijten verstoring van de arbeidsverhouding is terug te voeren, blijkt niet uit de gedingstukken.

4.6. Vervolgens onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat betrokkene het niet nakomen van voornoemde verplichting niet in overwegende mate kan worden verweten. De Raad maakt de hiervoor onder 2.3. weergegeven overwegingen tot de zijne, met dien verstande dat niet eerst op 3 januari 2005 werkloosheid is ontstaan maar dat betrokkene eerst per die datum aanspraak maakt op een WW-uitkering. De Raad voegt daaraan nog toe dat op grond van de gedingstukken moet worden geconcludeerd, althans dat van de zijde van appellant onvoldoende is weersproken, dat aan de beëindiging van de dienstbetrekking per 1 juni 2004 mede ten grondslag lag de wens van appellant om tot die beëindiging te komen.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft betoogd, overweegt de Raad nog dat in het kader van de hier aan de orde zijnde toetsing wel degelijk van belang is dat betrokkene zijn ontslagname mede heeft gebaseerd op de gerechtvaardigde verwachting dat een vaste aanstelling na 1 januari 2005 niet viel te verwachten. De Raad acht daarvoor niet alleen de nota van 23 april 2004 van belang maar ook dat uit de gedingstukken valt op te maken dat appellant na de gesprekken in februari 2004 ervan uit ging dat een ontslagverzoek van betrokkene met een inkomensgarantie tot 1 januari 2005 voor de gemeente financieel voordeliger was dan het voortzetten van de arbeidsrelatie tot

1 januari 2005, in welk geval appellant het verhaal van een uitbetaalde WW-uitkering voor enige jaren boven het hoofd hing. Enige serieuze overweging omtrent het eventuele voortzetten van het dienstverband in het geval betrokkene niet koos voor beëindiging van de relatie per 1 juni 2004, vermag de Raad in de stukken niet te lezen. Appellant heeft in dat verband uitsluitend een financiële calculatie gemaakt die, naar het oordeel van de Raad, in het kader van de uitvoering van de WW niet van doorslaggevend belang kan worden geacht.

4.7. Aan het onder 4.6. overwogene valt voorts de conclusie te verbinden dat de gemitigeerde maatregel gelet op het bepaalde in artikel 22b, eerste lid, van de WW niet meer kan worden geëffectueerd.

4.8. Voor het eerst ter zitting van de Raad heeft appellant nog aangevoerd dat aan betrokkene geen bovenwettelijke uitkering kon worden toegekend omdat hij daarvoor, gelet op de terzake geldende regelgeving, ook los van het eventuele recht op WW-uitkering, niet in aanmerking kwam. Gelet op het tijdstip in de procedure dat appellant dat standpunt heeft ingenomen, gaat de Raad daaraan wegens schending van de goede procesorde voorbij. In dat verband merkt de Raad overigens nog op dat zich onder de gedingstukken geen aanvraag van een bovenwettelijke uitkering bevindt en dat het bestreden besluit terzake van de bovenwettelijke uitkering niet mede namens appellant is genomen.

5.1. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden en voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.2. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met dien verstande dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 644,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW