Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
07-1182 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WW-uitkering van 20% gedurende 52 weken. Terugvordering. Boete. Schending informatieverplichting. Opgegeven Geldigheid registratie CWI in strijd met waarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1182 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 januari 2007, 06/430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2007. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant is van 15 maart 2001 tot 1 januari 2003 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [werkgever]. Op 28 januari 2003 heeft hij zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI) om een uitkering ingevolge de WW aan te vragen en om zich te laten registreren als werkzoekende. Het bewijs van inschrijving liep tot 28 maart 2003 en diende op afspraak te worden verlengd.

Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 februari 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend.

2.2. Op 27 juli 2005 en op 2 augustus 2005 heeft een medewerker van de afdeling Fraude, Preventie en Opsporing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van een fysieke controle huisbezoeken afgelegd bij appellant. Naar aanleiding daarvan is bij het CWI informatie ingewonnen over de registratie van appellant als werkzoekende. Uit die informatie is gebleken dat de inschrijving van appellant een geldigheidstermijn had tot 19 juni 2003, dat hij vanwege het verlopen van de geldigheidsduur vanaf 30 juni 2003 niet meer was ingeschreven bij het CWI en dat appellant per 2 september 2005 opnieuw is geregistreerd als werkzoekende. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport fysieke controle van

2 augustus 2005.

2.3. Naar aanleiding van dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2005 op de aan appellant toegekende WW-uitkering een maatregel opgelegd in de vorm van een korting van het uitkeringspercentage met 20% gedurende 52 weken met ingang van 2 september 2004 tot 2 september 2005. Als reden hiervoor heeft het Uwv aangegeven dat appellant zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd.

Bij besluiten van 1 november 2005 heeft het Uwv een bedrag van € 3.126,51 netto (€ 4.354,56 bruto) teruggevorderd van appellant als onverschuldigd betaald over de periode van 2 september 2004 tot en met 1 september 2005, respectievelijk aan appellant een boete opgelegd van € 440,-- op de grond dat hij de op hem rustende informatie-verplichting niet is nagekomen.

2.4. Bij besluit van 2 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 22 september 2005 en 1 november 2005 ongegrond verklaard. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv niet uitsluit dat de uitschrijving van appellant per 1 juli 2003 het gevolg is van een computerstoring bij het CWI in juni 2003. Naar de mening van het Uwv had appellant er echter binnen een redelijke termijn van twee maanden nadien voor moeten zorgen dat hij weer als werkzoekende zou worden ingeschreven. Aan appellant is verweten dat hij vanaf 20 juni 2003 tot en met 1 september 2005 artikel 26 van de WW heeft overtreden. In het bestreden besluit is appellant eveneens verweten dat hij vanaf 1 juli 2003 tot en met

1 september 2005 niet heeft voldaan aan de desbetreffende verplichting van artikel 26 van de WW.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, voor zover van belang, is de werknemer verplicht zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de werknemer deze verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen. Op grond van artikel 27, vierde lid, van de WW wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging of nalatigheid en wordt van het opleggen van een maatregel in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In het Maatregelenbesluit UWV zijn nadere regels gegeven over de hoogte van de op te leggen maatregel. In geval van overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW met een periode van meer dan 112 kalenderdagen bedraagt de maatregel een korting van 20% op het uitkeringspercentage over 52 weken. Indien de mate van verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft bedraagt het kortingspercentage 10.

In artikel 27, zesde lid, van de WW is bepaald dat van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2. Vast staat dat appellant in de periode tussen 30 juni 2003 en 2 september 2005 niet was geregistreerd als werkzoekende. Over de reden van uitschrijving per 30 juni 2003 bestaat geen duidelijkheid, nu door het Uwv niet is uitgesloten dat een computerstoring bij het CWI daarvan de oorzaak is geweest. Gelet hierop staat niet vast dat appellant zijn op 19 juni 2003 aflopende registratie niet tijdig heeft verlengd. Het Uwv heeft appellant naar het oordeel van de Raad dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij vanaf 20 juni 2003 en vanaf 1 juli 2003 artikel 26 van de WW heeft overtreden. Dit betekent dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde maatregel op een ondeugdelijke grondslag berust en niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit dient wat dit onderdeel betreft te worden vernietigd.

5.1. De Raad zal thans bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van dit te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. Daartoe zal de Raad allereerst beoordelen of appellant op een later moment in gebreke is gebleven in zijn verplichting om zorg te dragen voor registratie als werkzoekende bij het CWI.

5.2. De Raad is van oordeel dat op grond van het bewijs van inschrijving van 28 maart 2003 aan appellant duidelijk kon zijn dat zijn registratie slechts twee maanden geldig was en telkens na verloop van twee maanden moest worden verlengd. Ook uit de hem maandelijks toegezonden werkbriefjes kon appellant afleiden dat zijn registratie bij het CWI niet onbeperkt geldig was, nu hem op die briefjes telkens de vraag werd gesteld of en zo ja, tot welke datum, zijn registratie bij het CWI nog geldig was. Indien de stelling van appellant dat hij de op 30 juni 2003 beëindigde registratie tijdig heeft verlengd juist is, is deze registratie twee maanden later geëindigd en had appellant op dat moment moeten zorgen voor een verdere verlenging met twee maanden. Door zich pas op 1 september 2005 opnieuw te laten registreren is appellant naar het oordeel van de Raad in de periode vóór 2 september 2005 gedurende zeer geruime tijd in gebreke geweest in de nakoming van de verplichting van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW. Deze periode is zodanig lang, dat op grond van de in 4.1. weergegeven wettelijke bepalingen een maatregel, bestaande uit een korting op het uitkeringspercentage van de WW-uitkering van appellant met 20% gedurende 52 weken over de periode van 2 september 2004 tot 2 september 2005 moest worden opgelegd. Van omstandigheden die moeten leiden tot matiging van de maatregel is de Raad niet gebleken. In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan aan het Uwv de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een maatregel af te zien.

5.3. Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

5.4. Ingevolge artikel 36 van de WW wordt een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 27 van de WW onverschuldigd is betaald van de betrokken werknemer teruggevorderd.

5.5. Uit hetgeen in 5.2. is overwogen volgt dat het Uwv over de periode van 2 september 2004 tot 2 september 2005 te veel uitkering aan appellant heeft betaald. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het Uwv het hiermee gemoeide bedrag van € 4.354,56 bruto terecht heeft teruggevorderd van appellant. De financiële problemen van appellant vormen, indien die al zijn veroorzaakt door de terugvordering, geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

5.6. Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het Uwv de werknemer een boete op indien hij een verplichting als bedoeld in artikel 25 van deze wet niet nakomt. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten is bepaald dat de boete 10% van het benadelings-bedrag bedraagt. In artikel 25 van de WW is bepaald dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

5.7. Appellant heeft bij de op de werkbriefjes gestelde vraag naar de geldigheid van zijn registratie bij het CWI in strijd met de waarheid telkens een zelf gekozen, in de toekomst gelegen datum ingevuld. Door deze handelwijze heeft appellant de in artikel 25 van de WW neergelegde informatieverplichting geschonden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv appellant terecht een boete van € 440,-- heeft opgelegd.

5.8. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten voor zover dat ziet op het besluit tot terugvordering en op het besluit tot het opleggen van een boete.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, zijnde € 966,-- in totaal, aan proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dat de opgelegde maatregel betreft;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant, begroot op € 966,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- (€ 38,-- in beroep en € 105,-- in hoger beroep) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW