Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
07-645 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken. Dient betrokkene zich ruimer beschikbaar te stellen? Welk niveau is het uitgangspunt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/645 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 december 2006, 06/1306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene].

Datum uitspraak: 23 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen bijgestaan door E. van Walsteijn, wonende te Halfweg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Betrokkene is van 23 september 2003 tot en met 31 maart 2005 werkzaam geweest bij [werkgever] als Netwerk Engineer. Bij besluit van 29 april 2005 is betrokkene ter zake van zijn op 1 april 2005 ingetreden werkloosheid een uitkering ingevolge de WW toegekend. Bij brief van 4 oktober 2005 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat uit zijn werkbriefjes is gebleken dat hij voornamelijk solliciteert naar functies op een te hoog niveau, terwijl hij na een half jaar werkloos te zijn geweest zich ruimer dient op te stellen. Om die reden adviseerde appellant betrokkene met ingang van het eerstvolgende werkbriefje ook te solliciteren naar werk op mavo/lbo-niveau. Omdat betrokkene volgens appellant daartoe niet is overgegaan heeft appellant bij besluit van 15 december 2005 de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 21 november 2005 gedurende 16 weken verlaagd met 20%. Bij besluit van 16 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 december 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak en dat appellant aan betrokkene het griffierecht vergoedt. Hoewel de laatste functie van betrokkene kan worden aangemerkt als een Mbo-functie heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat betrokkene niet op Hbo-niveau functioneerde en dat dit niveau niet als uitgangspunt zou kunnen dienen bij de sollicitatieplicht. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de functies waarop betrokkene in de periode van 4 oktober 2005 tot en met 20 november 2005 heeft gesolliciteerd functies op Mbo-niveau waren. Gelet hierop heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de opvatting van de rechtbank. Appellant blijft zich op het standpunt stellen dat betrokkene in de laatste anderhalf jaar voordat hij werkloos werd op Mbo-niveau heeft gefunctioneerd, waardoor een mogelijk vóór die tijd bereikt Hbo-niveau verloren is gegaan. Dit impliceert dat na zes maanden werkloosheid het begrip passende arbeid wordt verruimd naar werk op Lbo-niveau.

4.2. Betrokkene heeft bij wijze van verweer aangevoerd dat hij op Hbo-niveau ingeschaald had moeten worden. Hij heeft ter ondersteuning van dit standpunt gewezen op het door hem in de procedure bij de rechtbank overgelegde curriculum vitae, op verklaringen van ex-werkgevers, inhoudende dat hij bij hen op Hbo-niveau functioneerde, op de advertentie voor de functie bij [werkgever] en op Hbo-vacatures die hem door het Centrum voor werk en inkomen zijn toegestuurd.

5. De Raad overweegt, oordelend over de aangevallen uitspraak, als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (besluit van het Lisv van 14 januari 1998, Stcrt. 1998, nr. 22) wordt van betrokkene verlangd dat hij ten minste vier sollicitaties in een periode van vier weken verricht. Voorts is van belang dat op grond van de Richtlijn passende arbeid bij werkloosheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 1992 (hierna: de Richtlijn), een betrokkene na aanvang van de werkloosheid een half jaar de tijd heeft om zich te richten op het zoeken naar arbeid overeenkomstig het vroegere beroep en niveau en in beginsel niet verplicht is werk op een lager niveau of in een ander beroep te aanvaarden. Het niveau wordt bepaald aan de hand van de opleiding en/of werkervaring van de betrokkene. Na het eerste half jaar en naarmate de werkloosheid langer duurt dient men zich ruimer op te stellen en arbeid op een lager niveau en zo mogelijk in een ander beroep te accepteren.

5.2. Vanaf 1 oktober 2005 mocht van betrokkene worden verwacht dat hij zich ruimer zou opstellen bij het solliciteren. Ter beantwoording van de vraag of betrokkene hieraan heeft voldaan moet worden vastgesteld welk niveau het uitgangspunt is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat door appellant niet genoegzaam is aangetoond dat het niveau van de laatst verrichte functie dat van Mbo was. Een medewerker van [werkgever] heeft op een vraag van appellant weliswaar aangegeven dat de functie van Netwerk Engineer een functie op Mbo-niveau is, maar hiermee is naar het oordeel van de Raad, gelet ook op betrokkenes verklaring ter zitting, dat zijn functie in de loop van de tijd in verband met financiële problemen bij de werkgever van een Hbo- naar een Mbo-functie is gedevalueerd, niet komen vast te staan dat betrokkene daadwerkelijk op Mbo-niveau functioneerde. De bezwaararbeidsdeskundige, die na lezing van de taakstelling en functieomschrijving van betrokkene’s functie in de arbeidsovereenkomst tot de conclusie is gekomen dat betrokkene werkloos is geworden uit een Mbo-functie heeft, naar het oordeel van de Raad niet inzichtelijk gemaakt op basis waarvan hij tot die mening is gekomen. Voorts heeft hij zich niet uitgesproken over het niveau waarop betrokkene de functie vervulde. De Raad wijst er in dit verband op dat de advertentie van Netwerk Engineer waarop betrokkene heeft gereflecteerd als opleiding Mbo/Hbo vereist met bovengemiddelde eindexamenresultaten en vakstudies op het gebied van automatisering (CNE/MCSA/MSCE).

5.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat op basis van de hierover beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat betrokkene terecht op Mbo-niveau is ingeschaald, zodat niet kan worden beoordeeld of betrokkene in onvoldoende mate heeft getracht om passende arbeid te verkrijgen. Het bestreden besluit is reeds hierom terecht niet in stand gelaten door de rechtbank. De tweede vernietigingsgrond die de rechtbank heeft gehanteerd kan derhalve onbesproken blijven.

6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,--.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en van B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW