Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
06-2508 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel WW-uitkering met 20% verlaagd, wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Verminderd verwijtbaar gezien uitlatingen arbeidsdeskundige in kader WAO-schatting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2508 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2006, 05/4125 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Namens appellante is mr. Kuit verschenen. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij de voor appellante geldende beperkingen in kaart zijn gebracht, is zij tijdens een gesprek met arbeidsdeskundige R. Weeda op 9 november 2004 geïnformeerd dat haar WAO-uitkering zal worden herzien omdat zij in staat wordt geacht een aantal functies te vervullen. Bij besluit van 11 november 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 januari 2005 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Op 17 januari 2005 heeft appellante zich tot het Centrum voor Werk en Inkomen gewend om zich te laten inschrijven als werkzoekende en tevens om een WW-uitkering aan te vragen. Op het aanvraagformulier voor de WW-uitkering heeft appellante aangegeven dat zij nog geen sollicitatieactiviteiten had ondernomen.

Bij besluit van 23 februari 2005 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv bepaald dat appellantes WW-uitkering, die op 30 oktober 1997 was beëindigd, met ingang van 12 januari 2005 wordt voortgezet. Bij afzonderlijk besluit van 23 februari 2005 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante bij wijze van maatregel met ingang van

12 januari 2005 gedurende 16 weken met - kort gezegd - 20% verlaagd omdat zij in de periode van 9 november 2004 tot en met 11 januari 2005 niet heeft gesolliciteerd. Appellante heeft tegen de beide besluiten van 23 februari 2005 bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 1 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en de besluiten van 23 februari 2005 gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante het beroep ingetrokken voor zover het bestreden besluit ziet op de handhaving van besluit 1. Ten aanzien van de opgelegde maatregel heeft de rechtbank overwogen dat appellante na het gesprek met de arbeidsdeskundige op 9 november 2004 had kunnen begrijpen dat zij gehouden was vanaf die datum sollicitatieactiviteiten te verrichten. Dat zij daarop door de arbeidsdeskundige niet expliciet zou zijn gewezen, doet daaraan niet af. De rechtbank achtte daarbij van belang dat appellante in het verleden een WW-uitkering heeft ontvangen en om die reden ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat op haar de verplichting rust om werkloosheid te voorkomen. Voorts heeft de rechtbank de stelling van appellante dat zij eerst verplicht was te solliciteren vanaf de datum waarop haar WW-uitkering is voortgezet, 12 januari 2005, onder verwijzing naar het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW verworpen. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten terecht heeft opgelegd en heeft om die reden het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante erkend dat de arbeidsdeskundige tijdens het gesprek op 9 november 2004 haar kenbaar heeft gemaakt dat de WAO-uitkering zal worden herzien. Zoals ook is gerapporteerd, heeft de arbeidsdeskundige evenwel tegen appellante gezegd dat re-integratie met drie maanden is uitgesteld in verband met het mogelijke bezwaar van appellante. Daaruit heeft appellante afgeleid dat zij verder diende af te wachten op hetgeen zou gaan gebeuren. In dat licht bezien is het naar de mening van appellante niet verwonderlijk dat zij niet direct is begonnen met solliciteren. Appellante stelt zich op het standpunt dat niet gezegd kan worden dat zij wist of redelijkerwijs kon begrijpen dat al vanaf 9 november 2004 van haar verlangd werd inspanningen te verrichten om passende arbeid te verkrijgen.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat een werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW wordt van de werknemer die WW-uitkering aanvraagt na afschatting vanuit de WAO verlangd, dat hij, zodra hem is aangezegd dat zijn WAO-uitkering vanwege afgenomen arbeidsongeschiktheid zal worden herzien of ingetrokken, sollicitatieactiviteiten ontwikkelt.

Appellante heeft, zoals bevestigd ter zitting van de Raad, geen enkele sollicitatieactiviteit ondernomen na het gesprek met de arbeidsdeskundige op 9 november 2004 tot 12 januari 2005, de datum waarop haar WW-uitkering is herleefd. Derhalve is appellante de verplichting ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet nagekomen. De vraag of het niet nakomen van die verplichting appellante in verband met uitlatingen van de arbeidsdeskundige tijdens het gesprek op 9 november 2004 niet of in verminderde mate valt te verwijten, beantwoordt de Raad ontkennend. De arbeidsdeskundige heeft op 9 november 2004 gerapporteerd dat is afgezien van het opstellen van een re-integratievisie omdat appellante heeft aangegeven niet te kunnen werken. De re-integratie is drie maanden uitgesteld in verband met het mogelijke bezwaar van appellante tegen de herziening van haar WAO-uitkering. Tevens heeft de arbeidsdeskundige gerapporteerd dat appellante is gewezen op de verplichting om mee te werken aan de re-integratie. De omstandigheid dat appellante zich op het standpunt stelde niet te kunnen werken, hetgeen voor de arbeidsdeskundige op dat moment onmiskenbaar de aanleiding is geweest om ervan af te zien een re-integratievisie op te stellen, laat onverlet dat appellante ingevolge de WW verplicht was sollicitatieactiviteiten te ondernemen. Daarbij tekent de Raad aan dat appellante in het verleden een WW-uitkering heeft ontvangen en derhalve bekend was met de uit de WW voortvloeiende verplichtingen, waaronder de verplichting om in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen om het intreden van de werkloosheid te voorkomen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL