Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
06-6636 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Bij herhaling ontoelaatbaar gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6636 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 oktober 2006, 05/1560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.M. Castelein, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift - met bijlagen - ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Namens appellant is verschenen mr. Castelein. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Appellant heeft van 1 augustus 2003 tot 1 juli 2005 gewerkt bij [werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: [werkgever]) als field services engineer. Bij beschikking van 7 juni 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werkgever] met ingang van 1 juli 2005 ontbonden. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld is er volgens de kantonrechter sprake van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen op korte termijn moet worden ontbonden. Aan appellant is een ontbindingsvergoeding van € 4.000,-- bruto toegekend.

2.2. Op 1 juli 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke uitkering hem bij besluit van 8 juli 2005 met ingang van 1 augustus 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel is geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 14 november 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat vast staat dat er bij [werkgever] over appellant wegens ongewenst gedrag drie klachten door gerenommeerde bedrijven zijn ingediend, waaruit het ontslag van appellant is voortge-vloeid. Appellant heeft zich naar de opvatting van het Uwv zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienst-betrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Dit geldt temeer nu hij een officiële waarschuwing van [werkgever] had ontvangen.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft in hoger beroep de feiten die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd bestreden.

5. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

5.1. Op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellant zich bij herhaling ontoelaatbaar heeft gedragen jegens klanten van [werkgever]. Het gaat daarbij in de eerste plaats om twee klachten welke zijn binnengekomen bij [werkgever] op 8 december 2004 en afkomstig zijn van [klant 1] en van [klant 2]. Appellant zou dubbelzinnige en ongepaste opmerkingen hebben gemaakt en ook zijn houding en gedrag waren van dien aard dat appellant bij die bedrijven niet meer welkom was. Naar aanleiding hiervan is appellant met ingang van 9 december 2004 geschorst. [werkgever] heeft op 23 december 2004 met appellant de klachten besproken en heeft hem bij brief van 28 december 2004 gewaarschuwd dat geen enkele klacht met betrekking tot uitlatingen en gedrag van hem meer zal worden geaccepteerd. Op 29 maart 2005 heeft een medewerkster van de [bedrijfsnaam] een klacht ingediend wegens door appellant gemaakte seksueel getinte opmerkingen. Op 30 maart 2005 heeft hierover een gesprek met appellant plaatsgevonden, dat bij brief van 31 maart 2005 is bevestigd. Appellant is wederom geschorst waarna de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter in werking is gezet.

5.2. Appellant heeft betwist dat het voor hem duidelijk was welke gedragingen aanleiding zijn geweest voor de klachten en heeft gesteld dat de situaties bij de klanten hem volstrekt onbekend voorkwamen. Uit voormelde brieven van 28 december 2004 en 31 maart 2005 maakt de Raad echter op dat er met appellant ontegenzeggelijk gesprekken zijn gevoerd over hetgeen zich bij de klanten van [werkgever] heeft afgespeeld. De Raad acht met de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat appellant niet op de hoogte was welke gedragingen hem werden verweten. Appellant heeft het oordeel van [werkgever] daaromtrent in het geheel niet aangevochten toen hij ter verantwoording werd geroepen. Gezien de aard van de appellant verweten gedragingen acht de Raad het niet geloofwaardig dat appellant [werkgever] niet heeft tegengesproken omdat hij blij was met zijn baan en deze niet in gevaar wilde brengen met een protest.

5.3. Op grond van de gedragingen zoals in 5.1. vermeld is de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn werkgever tot beëindiging van de dienstbetrekking zou overgaan. Het Uwv heeft daarom terecht aangenomen dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet is nagekomen. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren. Nu niet is gebleken dat het nakomen van genoemde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten en evenmin is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht blijvend geheel uitkering ingevolge de WW aan appellant heeft geweigerd.

5.4. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar 23 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW