Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
05-6246 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geen toename van beperkingen tussen aanvang verzekering en datum einde wachttijd.

Medische onderbouwing voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6246 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 september 2005, 04/2456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

H. Tirbeni, wonende te Beek en Donk (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Helmond, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2007. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is op 3 oktober 2002, in aansluiting op een periode waarin hij niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, werkzaamheden gaan verrichten als vrachtwagenchauffeur. Daarmee raakte hij weer verzekerd voor onder meer de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 28 november 2002 is hij wegens pijnklachten aan zijn rechterarm uitgevallen.

Bij besluit van 15 december 2003 heeft appellant geweigerd betrokkene in aansluiting op de wettelijke wachttijd met ingang van 27 november 2003 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO.

Bij besluit van 12 juli 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 december 2003 ongegrond verklaard.

Blijkens het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens, heeft appellant die weigering primair op de volgende benadering doen steunen.

Betrokkene ondervindt als gevolg van een eerder doorgemaakt ongeval blijvende beperkingen aan zijn rechterarm. In verband hiermee wordt hij van meet af aan niet geschikt geacht het door hem op 3 oktober 2002 ter hand genomen chauffeurswerk, aangezien daarin ook handmatig - met behulp van een pompwagen - te verrichten laad- en loswerk voorkwam. Juist vanwege dat laad- en loswerk is de rechterarm van betrokkene overbelast geraakt, hetgeen tot zijn uitval op 28 november 2002 heeft geleid.

Betrokkene wordt evenwel op 3 oktober 2002 alsook bij het einde van de wachttijd op

27 november 2003 wel volledig in staat geacht tot het verrichten van chauffeurswerkzaamheden zonder armbelastend laad- en loswerk, zoals hij dat ook voorafgaande aan zijn onverzekerde periode heeft verricht. Laatstbedoelde werkzaamheden zijn als betrokkenes maatgevende arbeid aangemerkt. Nu hij per einde wachttijd geschikt wordt geacht voor de eigen maatgevende werkzaamheden, is betrokkene niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO en komt hem geen uitkering toe.

De rechtbank heeft, voor zover voor dit geding van belang, overwogen dat het voldoende aannemelijk is te achten dat betrokkene bij aanvang van zijn WAO-verzekering op

3 oktober 2002 vanwege zijn aandoening aan de rechterarm niet in staat was om chauffeurswerk met laden en lossen te verrichten.

De rechtbank heeft het op grond van de voorhanden gegevens evenwel als onverantwoord betiteld om aan te nemen dat de gezondheidstoestand van betrokkene tussen

3 oktober 2002 en 27 november 2003 niet in relevante mate is verslechterd en dat hij op laatstgenoemde datum evenals op eerstgenoemde datum in staat is geweest om een chauffeursfunctie zonder laden en lossen uit te oefenen.

Hierbij heeft de rechtbank doorslaggevend geacht de mening van de revalidatie-arts

H.J. Blanken, die in een brief van 5 februari 2004 onder meer heeft vermeld: “Ik kan mij voorstellen dat patiënt op dit moment het sturen en schakelen als belastend ervaart. Ik denk dat gesteld mag worden dat het wellicht ook gevaarlijk is”.

Hetgeen appellant in hoger beroep, bij monde van zijn bezwaarverzekeringsarts heeft doen aanvoeren, komt in essentie erop neer dat op grond van de voorhanden objectief-medische gegevens niet kan worden geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een toename van zijn beperkingen tussen aanvang verzekering en datum einde wachttijd. Ook aan de door de rechtbank aangehaalde passage uit de brief van revalidatie-arts Blanken kan volgens appellant onvoldoende steun worden ontleend voor de zienswijze dat in evenvermeld tijdvak in objectief-medische zin sprake is geweest van een toename van betrokkenes beperkingen.

De Raad kan zich met vorenomschreven standpunt van appellant verenigen. De Raad is met appellant van oordeel dat het geheel van de omtrent betrokkene beschikbare medische gegevens genoegzaam steun biedt aan de zienswijze dat de gezondheidstoestand van betrokkene en de daaruit voor hem voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid tussen 3 oktober 2002 en 27 november 2003 niet in relevante mate zijn gewijzigd.

De Raad heeft daarbij, naast de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen van appellant, acht geslagen op de door de arts-assistent revalidatie F. El Jammal en de revalidatie-arts W.G.M. Janssen, verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum, verstrekte informatie, inhoudende dat betrokkene op 10 april 2003 is gezien en hij op dat moment nog dezelfde klachten had als vóór de ziekmelding op 28 november 2002. Genoemde arts-assistent en de revalidatiearts P. Hoogvliet hebben de klachten van betrokkene omschreven als chronische pijnklachten bij surmenage.

De neuroloog A.J. Vermeij heeft aangegeven dat (ook) op neurologisch terrein geen oorzaak voor de klachten van betrokkene valt aan te wijzen. Door de bezwaarverzekeringsarts van appellant is in een rapport van 17 november 2004 erop gewezen dat - in lijn hiermee - ook de revalidatie-arts Blanken heeft aangegeven dat de klachten van betrokkene niet kunnen worden verklaard door zenuwuitval of motorische uitval.

In het licht van deze medische gegevens kan de Raad zich verenigen met de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts als vervat in het rapport van 23 november 2005, dat de rechtbank te veel gewicht heeft toegekend aan de opmerking van Blanken dat hij zich kan voorstellen dat betrokkene sturen en schakelen als belastend ervaart. Tegen de achtergrond van de beschikbare medische gegevens, als hiervoor in samenvatting weergegeven, vormt die enkele - overigens terughoudend geformuleerde - opmerking een ontoereikende basis voor het oordeel dat de beperkingen van betrokkene in objectief-medische zin tussen 3 oktober 2002 en 27 november 2003 in een relevant te achten mate zijn toegenomen, of dat zich althans met betrekking tot het zich hebben voorgedaan van een zodanige toename gerede twijfel zou bestaan.

De Raad is voorts met appellant van oordeel dat met de reeds voor betrokkene in aanmerking genomen beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten en problemen ten aanzien van het gebruik van zijn rechterarm en -hand die betrokkene heeft overgehouden aan het hem eerder overkomen ongeval, en dat hij, gegeven die beperkingen, bij aanvang van zijn verzekering alsmede bij einde wachttijd in staat moet worden geacht tot het verrichten van chauffeurswerkzaamheden waarin geen armbelastend laad- en loswerk behoeft te worden verricht, gelijk hij daartoe voordien steeds in staat is geweest.

Uit het vorenoverwogene volgt dat appellant bij het bestreden besluit terecht aan betrokkene uitkering ingevolge de WAO heeft ontzegd per 27 november 2003 op de primaire grond dat betrokkene op die datum geschikt is voor het eigen maatgevende werk en derhalve niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet kan worden aangemerkt. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd, kan derhalve in rechte geen stand houden.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.