Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
05/4528 + 6354 + 6355 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep van werkgever tegen 3 besluiten: 1) toekenning WAO-uitkering, 2) ongewijzigde voortzetting, 3) Anticumulatie wegens inkomsten uit arbeid. Motivering voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4528 + 6354 + 6355 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante],

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van respectievelijk 8 juni 2005, 04/4533 (hierna: aangevallen uitspraak 1), 15 september 2005, 02/2333 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 15 september 2005, 03/1391 (hierna: aangevallen uitspraak 3)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in de genoemde beroepszaken een verweerschrift ingediend.

De voormalig werkneemster van appellante V. van den Beuken (hierna: de werkneemster) heeft desgevraagd schriftelijk medegedeeld niet als partij aan de gedingen te willen deelnemen. Voorts heeft zij geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. Van Zijl voornoemd, bijgestaan door J.M.W.N. Derks, arts-gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

De werkneemster is, door tussenkomst van appellante als uitzendbureau, als juriste werkzaam geweest. Zij is op 12 december 2000 wegens RSI-verschijnselen voor haar werkzaamheden uitgevallen.

Bij besluit van 16 november 2001 heeft het Uwv aan haar met ingang van

11 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 12 november 2002 heeft het Uwv, na een onderzoek in het kader van de eerstejaars herbeoordeling, aan de werkneemster medegedeeld dat haar uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij besluit van 16 september 2003 heeft het Uwv aan de werkneemster medegedeeld dat haar uitkering vanaf 1 april 2003 blijft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar dat de uitkering vanwege inkomsten uit arbeid wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Namens appellante is tegen de hiervoor genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluiten van respectievelijk 14 mei 2002 (hierna: bestreden besluit 1), 18 februari 2003 (hierna: bestreden besluit 2) en 29 september 2004 (hierna: bestreden besluit 3), heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard.

Namens appellante is tegen de drie bestreden besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 3, dat als laatste was binnengekomen, als eerste afgehandeld. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het Uwv is daarbij veroordeeld tot het vergoeden van het door appellante betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten.

Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

De Raad heeft de hoger beroepen tegen de drie aangevallen uitspraken gevoegd behandeld. In deze uitspraak zal de Raad, anders dan de rechtbank, bij de bespreking van de zaken de chronologische volgorde aanhouden van de bestreden besluiten. Hierdoor komen eerst de aangevallen uitspraken 2 en 3 aan de orde en pas daarna de aangevallen uitspraak 1.

Bestreden besluit 1 (aangevallen uitspraak 2)

Het Uwv was aanvankelijk van mening dat de werkneemster na afloop van de voor haar geldende wachttijd voor de WAO geen duurzaam benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts heeft er daarom van afgezien om een functionele mogelijkhedenlijst (fml) op te stellen. Ook is er geen arbeidskundig onderzoek verricht. Hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank is het Uwv hierop teruggekomen en is er alsnog een fml opgesteld en is een arbeidskundig onderzoek verricht. Er bleken echter geen geschikte functies te vinden te zijn in het zogeheten Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) van het Uwv. Het Uwv heeft daarom zijn beslissing om aan de werkneemster een volledige WAO-uitkering toe te kennen gehandhaafd.

De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, maar heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat zij van oordeel was dat aan het bestreden besluit uiteindelijk alsnog de juiste motivering ten grondslag is gelegd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of dit oordeel van de rechtbank in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

De verzekeringsarts J. Bosmans vond bij zijn onderzoek op 17 oktober 2001 de belastbaarheid van de werkneemster nog te wisselend om haar inzetbaar voor arbeid te achten. Ook omdat zij nog therapie moest volgen heeft hij aangenomen dat er geen mogelijkheid was om arbeid te verrichten. Wel heeft hij aangegeven dat er na vier maanden een vervolgonderzoek zou moeten plaatsvinden. Dit is niet gebeurd. Het volgende onderzoek vond pas plaats op 9 september 2002 in het kader van de eerstejaars herbeoordeling.

De bezwaarverzekeringsarts P. Tjen stelde in een rapport van 11 maart 2003, naar aanleiding van het in beroep gegeven commentaar van de arts-gemachtigde Derks, dat de klinische situatie van de werkneemster op de datum in geding niet dusdanig was dat toepassing van de standaard “Geen duurzaam benutbare mogelijkheden” zonder meer gerechtvaardigd was. Hij adviseerde om alsnog een belastbaarheid aan te geven. Uiteindelijk heeft de verzekeringsarts Bosmans op 24 maart 2004 opnieuw een medisch onderzoek verricht en daarvan verslag gedaan. Ook heeft hij een fml opgesteld, die betrekking heeft op betrokkenes toestand per einde wachttijd .

In de (kritische) fml is een groot aantal beperkingen aangegeven ten aanzien van het persoonlijk functioneren, de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Zo is aangegeven dat de werkneemster is aangewezen op werk zonder deadlines of productiepieken en werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Ook moet de werkneemster de ruimte hebben om heel zelfstandig en met grote variatie aan houding, beweging en belasting haar werk te organiseren. Voorts is zij onder meer sterk beperkt ten aanzien van hand- en vingergebruik, duwen, trekken, tillen en dragen en kan zij niet ’s avonds of ’s nachts en niet meer dan ongeveer 6 uur per dag en 30 uur per week werken.

In reactie op een vraag van de Raad over de selectie van functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten in een rapport van 26 juli 2007 aangegeven dat het bij de door de verzekeringsarts gestelde voorwaarden niet aannemelijk is te achten dat er op de vrije arbeidsmarkt werkzaamheden te vinden zijn die aan de door de verzekeringsarts gestelde eisen voldoen. Omdat op voorhand al duidelijk was dat er geen geschikte functies in het CBBS te vinden zouden zijn had de CBBS-selectie eigenlijk achterwege kunnen worden gelaten.

De arts-gemachtigde Derks heeft in reactie op het rapport van Kursten aangevoerd dat het uitgangspunt dat de werkneemster heel zelfstandig en met grote variatie aan houding en beweging haar werk moet kunnen organiseren niet medisch is onderbouwd. Met het aannemen van deze beperking wordt het aan de werkneemster zelf overgelaten om te bepalen waar haar beperkingen liggen, terwijl het nu juist de taak van de verzekeringsarts is om beperkingen vast te stellen die het rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg zijn van ziekten en/of gebreken. Zoals Derks al eerder in de procedure heeft aangegeven is hij van mening dat de verzekeringsarts te veel is afgegaan op de presentatie van de klachten door de werkneemster en zijn er geen objectiveerbare afwijkingen die de klachten van de werkneemster kunnen verklaren. De in de fml aangegeven beperkingen worden naar zijn mening onvoldoende gemotiveerd.

De Raad onderschrijft de zienswijze van de arts-gemachtigde Derks. Ook naar het oordeel van de Raad ontbreekt een voldoende duidelijk rechtstreeks verband tussen de aangenomen beperkingen en de gestelde gebreken. De Raad wijst er op dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek in maart 2004 heeft aangegeven dat het vooral om performance problematiek gaat die moeilijk is te objectiveren of te meten. Dat hij de klachten verder wel consistent en plausibel vindt, neemt niet weg dat een objectiveerbare oorzaak voor de klachten ontbreekt. Ook ziet de Raad onvoldoende verband tussen de vele in de fml aangegeven beperkingen en de uitkomsten van het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk waarom de werkneemster voortdurend zou moeten vertreden. De Raad wijst er op dat in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 17 oktober 2001 alleen sprake is van pijnklachten aan polsen, armen, schouders en bovenrug. Pas bij het onderzoek in september 2002, dat is verricht in het kader van de eerstejaars herbeoordeling, wordt ook melding gemaakt van rugklachten.

De Raad acht de aangegeven motivering voor de beperkingen onvoldoende en is van oordeel dat die motivering niet in een later stadium is verduidelijkt of aangevuld. Het Uwv heeft volstaan met de opmerking dat er door Derks geen nieuwe medische gegevens zijn aangedragen en heeft verwezen naar de in het dossier aanwezige medische rapportages. De Raad is van oordeel dat, zeker nu de arts-gemachtigde gefundeerde kritiek heeft gegeven op de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, van het Uwv verwacht mocht worden dat alsnog een genoegzame onderbouwing aan de vastgestelde belastbaarheid ten grondslag zou worden gelegd en constateert dat dit niet is gebeurd.

Anders dan de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat er geen reden is om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1, dat door de rechtbank is vernietigd vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, in stand te laten. Zoals hiervoor is overwogen zijn de gebreken niet op voldoende wijze in een later stadium van de procedure hersteld.

De aangevallen uitspraak 2 dient dan ook op dit onderdeel te worden vernietigd en het Uwv dient een nieuwe beslissing te nemen op het namens appellante ingediende bezwaar.

Omdat de Raad reeds op grond van de medische grondslag van bestreden besluit 1 tot dit oordeel is gekomen, zal de Raad de namens appellante aangevoerde grieven die betrekking hebben op de arbeidskundige aspecten buiten beschouwing laten.

Bestreden besluit 2 (aangevallen uitspraak 3)

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts J.S.P. Devriendt op 9 september 2002 een rapport uitgebracht. Hieruit blijkt dat de gezondheidstoestand van de werkneemster ten opzichte van de situatie per einde wachttijd iets is verbeterd. Desondanks worden nog forse beperkingen aangegeven. Bij het al eerder genoemde onderzoek van de verzekeringsarts Bosmans op 23 maart 2004 is ook nagegaan of de fml bij de eerstejaars herbeoordeling moet worden bijgesteld. Volgens de verzekeringsarts Bosmans kan de door Devriendt opgestelde fml worden gehandhaafd. Op basis van die fml konden geen geschikte functies in het CBBS worden gevonden. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarom ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%. De namens appellante ingediende bezwaren zijn bij bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 3 het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

De Raad oordeelt als volgt.

Evenals in de voorgaande beroepszaak is namens appellante aangevoerd dat er geen sprake is van objectiveerbare afwijkingen en dat het oordeel van de verzekeringsartsen te veel steunt op de weergave van de werkneemster zelf. De verzekeringsarts Devriendt heeft in zijn rapport van 9 september 2002 wel melding gemaakt van een scheefstand en torsie van de rug ten opzichte van het bekken, maar heeft dat niet gebaseerd op eigen lichamelijk onderzoek. Volgens Devriendt waren de anamnestische gegevens voldoende om een evaluatie te kunnen maken en kon de werkneemster de medische problematiek verbaal goed uiteenzetten.

De Raad is van oordeel dat, evenals bij de einde wachttijd beoordeling, ook bij deze eerstejaars herbeoordeling teveel is uitgegaan van de subjectieve klachten van de werkneemster. Voorts geldt ook bij de fml die is opgesteld in het kader van de eerstejaars herbeoordeling dat de beperkingen niet logisch voortvloeien uit de bevindingen van de verzekeringsartsen. Zo komt uit het in maart 2004 door Bosmans verrichte lichamelijk onderzoek enkel naar voren dat er sprake is van spanningsproblematiek in de houdingsspieren van de schouder. De werkneemster kan echter alle bewegingen maken. Er zou nu wel sprake zijn van rugklachten, maar geenszins is gebleken dat deze zodanig ernstig zijn dat de werkneemster om die reden voortdurend zou moeten vertreden. Bovendien vermeldt Bosmans in zijn rapport dat de lage rug normaal beweeglijk is. Het Uwv heeft in de door de arts-gemachtigde Derks geleverde kritiek geen aanleiding gezien om de beperkingen nader te motiveren. Ook hier is volstaan met het verwijzen naar de zich in het dossier bevindende rapporten.

De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit 2 niet is gebaseerd op een voldoende zorgvuldig onderzoek en dat een dragende motivering voor de vastgestelde medische beperkingen ontbreekt. De namens appellante aangevoerde arbeidskundige grieven behoeven geen bespreking meer.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit 2 alsmede de aangevallen uitspraak 3, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen en dat het Uwv opnieuw dient te beslissen op het namens appellante ingediende bezwaar.

Bestreden besluit 3 (aangevallen uitspraak 1)

Met ingang van 1 april 2003 is de werkneemster bij een andere werkgever gaan werken. Dit betreft soortgelijk werk als het werk dat zij voorheen via appellante verrichtte. Naar aanleiding van de werkhervatting is de WAO-uitkering van de werkneemster met ingang van 1 april 2003 geschorst. Op 14 juli 2003 is een arbeidskundig onderzoek verricht. De arbeidsdeskundige G.J.M. Heemels komt tot de conclusie dat er nog twijfels bestaan over het duurzame karakter van de werkzaamheden en dat het verstandig is om nog niet tot schatting over te gaan. Bij het besluit van 16 september 2003 wordt aan de werkneemster medegedeeld dat haar WAO-uitkering vanaf 1 april 2003 blijft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% maar met toepassing van artikel 44 van de WAO in verband met haar inkomsten wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij bestreden besluit 3 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zoals in het begin van deze rubriek reeds is vermeld heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 als eerste behandeld en in de aangevallen uitspraak 1 dit beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een uitspraak heeft gedaan in deze zaak zonder eerst uitspraak te doen op de eerder ingestelde beroepen en zonder daarbij acht te slaan op alle gedingstukken die zich in de andere dossiers bevinden. De toepassing van artikel 44 van de WAO veronderstelt dat er recht op uitkering bestaat. In de eerder ingediende beroepszaken is namens appellante betwist dat er recht op uitkering bestaat. De rechtbank had naar haar mening hier eerst over moeten beslissen.

Inhoudelijk is namens appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft besloten om toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO in plaats van over te gaan tot een schatting op de feitelijke verdiensten. De arbeidsdeskundige heeft zich gebaseerd op de opmerking van de werkneemster dat er nog sprake was van “ups en downs”, ook al hadden die nog niet tot ziekmelding geleid. Door uitsluitend af te gaan op de mededelingen van de werkneemster zelf zijn de conclusies van de arbeidsdeskundige, aldus de gemachtigde van appellante, onvoldoende geobjectiveerd. Uit het feit dat de werkneemster per 1 april 2003 zelfs meer uren ging werken dan in haar vorige functie bij appellante kan worden afgeleid dat wel vast stond dat het ging om arbeid waartoe zij met haar krachten en bekwaamheden in staat was.

De Raad oordeelt als volgt.

Op zichzelf onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsdeskundige op basis van de verkregen informatie op goede gronden heeft kunnen oordelen dat er nog twijfels bestaan over het duurzame karakter van de werkzaamheden, zodat artikel 44 van de WAO is toegepast. De werkneemster verrichtte die werkzaamheden op de datum van het gesprek met de arbeidsdeskundige nog maar drie maanden. De Raad acht het niet onzorgvuldig om in zo’n geval niet zonder meer over te gaan tot een herziening of intrekking, maar om in de periode dat over de geschiktheid nog onvoldoende zekerheid bestaat, over te gaan tot een korting van de uitkering. Het feit dat de werkneemster meer uren is gaan werken dan in haar vorige functie is naar het oordeel van de Raad geen bewijs voor de geschiktheid van dat werk, omdat ook zou kunnen blijken dat zij dit tot schade van haar gezondheid is gaan verrichten.

Nu echter, zoals hierboven is overwogen, de bestreden besluiten 1 en 2 geen stand kunnen houden kan dit ook gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van bestreden besluit 3. Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen zal het Uwv opnieuw moeten beoordelen of er recht op uitkering bestaat. Aangezien niet uitgesloten kan worden geacht dat de uitkomst van die heroverweging is dat er geen recht op uitkering bestaat of dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet juist is vastgesteld, kan ook blijken dat de anticumulatie van de uitkering wegvalt of anders moet worden berekend. Het Uwv zal zich hierover moeten beraden.

Het voorgaande leidt er toe dat bestreden besluit 3 alsmede de aangevallen uitspraak 1, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

Proceskostenvergoeding

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2, die betrekking heeft op bestreden besluit 1, een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van € 1.766,-. Tegen dit onderdeel van de uitspraak zijn namens appellante geen grieven aangevoerd, zodat de Raad ervan uitgaat dat dit onderdeel van de uitspraak niet wordt aangevochten.

In verband met de gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak 2 acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en zijn als volgt berekend. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het gewicht van de zaak bepaald op 1 (gemiddeld) en wordt voor het indienen van het beroepschrift 1 punt toegekend, voor het verschijnen ter zitting van mr. Van Zijl 1 punt (artikel 1 aanhef en onder a van het genoemde besluit) en een halve punt voor de

arts-gemachtigde Derks (artikel 1 aanhef en onder f juncto artikel 2, eerste lid, onder f van het genoemde besluit). Een punt vertegenwoordigt een waarde van € 322,-.

Overige in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 gemaakte kosten, zoals kosten van het uitbrengen van een deskundigenrapport, zijn niet gevorderd en worden daarom niet toegewezen.

In verband met de vernietiging van de aangevallen uitspraken 3 en 1 acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in ten aanzien van die uitspraken gemaakte proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op 2x € 805,- en 1x € 161,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 2x € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.415,-. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht is zowel voor de 2 beroepschriften in eerste aanleg als voor de 2 beroepschriften in hoger beroep 1 punt per produktie toegekend. Voorts is voor het per keer verschijnen ter zitting van de rechtbank van mr. Van Zijl 1 punt toegekend en een halve punt voor de arts-gemachtigde Derks. Bij de rechtbank ging het om 2 aparte zittingen. Bij de Raad gaat het om 1 zitting waarop de drie beroepszaken gevoegd zijn behandeld. Voor het verschijnen op die zitting is hiervoor in verband met de gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak 2 al een vergoeding toegekend. Voor een toelichting bij de toekenning van € 161,- voor verleende rechtsbijstand in beroep verwijst de Raad naar het hierna volgende.

Met betrekking tot de vordering in eerste aanleg van de kosten van de rapporten die zijn uitgebracht door de arts-gemachtigde Derks en de arbeidsdeskundige Kooistra overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding voor een verslag van een deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Hieruit volgt dat een forfaitaire vergoeding geldt op basis van het aantal bestede uren, waarbij het uurtarief is vastgesteld op € 81,23.

In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank al een vergoeding toegekend voor een aantal van de door deze deskundigen uitgebrachte rapporten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante niet precies en niet in alle gevallen heeft aangegeven welke kosten de beide deskundigen hebben gemaakt, welk tijdsbeslag hiermee heeft samengehangen en aan welke van de twee beroepszaken (waarmee is bedoeld de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2) de onderzoeksactiviteiten zijn besteed. De rechtbank heeft daarom geen toepassing gegeven aan het uurtarief, maar heeft de vergoeding met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht naar redelijkheid en billijkheid bepaald op € 800,-. Zoals eerder vermeld bij de bespreking van bestreden besluit 1, zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd tegen deze proceskostenveroordeling.

De Raad gaat er daarom van uit dat alleen nog een vergoeding behoeft te worden toegekend voor de rapporten die betrekking hebben op bestreden besluit 3, omdat die niet in de proceskostenveroordeling van de rechtbank zijn betrokken.

Dit betreft een rapport van de arts-gemachtigde Derks van 8 april 2005 en een rapport van de arbeidsdeskundige Kooistra van 14 februari 2005. De Raad gaat voor het rapport van de heer Kooistra uit van een tijdsbesteding van 1 uur, zodat hiervoor een vergoeding van € 81,23 wordt toegekend. Het rapport van de arts-gemachtigde Derks merkt de Raad aan als een medische aanvulling op het beroepschrift van 22 oktober 2004 waarvoor ingevolge het puntensysteem van het Besluit proceskosten bestuursrecht een halve punt wordt toegekend, zijnde een bedrag van € 161,-.

Kosten bezwaarprocedures

In de bezwaarschriften die zijn gericht tegen de besluiten van 12 november 2002 en

16 september 2003 is verzocht om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb een vergoeding toe te kennen voor de kosten die in de bezwaarprocedure zijn gemaakt. In de bestreden besluiten 2 en 3 zijn die verzoeken afgewezen. Het Uwv zal bij het nemen van zijn nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellante tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om alsnog over te gaan tot het vergoeden van de in de hiervoor genoemde bezwaarprocedures gemaakte kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, te weten voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven;

Vernietigt de aangevallen uitspraken 3 en 1;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 3.220,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 1.747,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.