Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
07-416 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag toe te kennen. Geen ingezetene van Nederland. Niet verzekerd voor de AKW. Middelpunt maatschappelijk leven, sociaal en economisch in Mexico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/416 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2007, 05/3257 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 31 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007, waar namens appellante zijn verschenen haar vader D.J. Hoekstra en haar moeder T.H. Hoekstra- Waiboer. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

Bij het op bezwaar genomen besluit van 6 juni 2005 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) voor haar [in] 2004 geboren dochter [S.] per het eerste kwartaal van 2005 afgewezen, omdat zij op 1 januari 2005 niet kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland in de zin van artikelen 2 en 3 van de Akw en dan ook niet als verzekerd kan worden beschouwd voor die wet.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geconstateerd dat appellante in december 2004 andermaal is vertrokken naar Mexico om haar studie voort te zetten in een onderzoeksgebied, waarna zij met uitschrijving uit de gemeente Wageningen medio 2005 is afgestudeerd. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante niet meer de intentie na beëindiging van haar studie naar Nederland terug te keren, omdat haar echtgenoot daar een baan had waaraan werkzaamheden voor meerdere jaren verbonden waren. Daarenboven was de rechtbank van oordeel dat appellante op de peildatum evenmin voldeed aan de voorwaarde van artikel 8 van het (de kring van verzekerden op basis van artikel 6, derde lid, van de Akw uitbreidende) Koninklijk besluit 1999, 746, omdat zij niet meer uitsluitend wegens studieredenen niet in Nederland woont. Derhalve heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij monde van haar ouders hiertegen in hoger beroep gekomen, die haar standpunt ter zitting van de Raad nader hebben toegelicht. Appellante kan niet begrijpen waarom inmiddels wel kinderbijslag is toegekend voor het derde en vierde kwartaal van 2004 bij besluit op bezwaar van 16 maart 2007, en waarom dat niet het geval was per het eerste kwartaal van 2005 toen ze hier nog ingeschreven stond als studente aan de Universiteit van Wageningen in de studierichting tropisch landgebruik en met een afrondend onderzoeksprojekt in Yucatan te Mexico bezig was. De echtgenoot van appellante heeft onbetaald verlof in 2005 opgenomen om zijn vrouw in het afstudeergebied, ook voor de veiligheid van het gezin met kind, bij te staan. Een vast gezamenlijk woonadres is eerst in de loop van 2006 gerealiseerd. Appellante ziet rechtsongelijkheid in uitkomst met een situatie dat zij bij afronding van de studie in een laboratorium te Wageningen wel kinderbijslag zou hebben ontvangen.

Hiertegenover blijft de SVB in de feiten en omstandigheden van het geval voorgoed een vertrek van appellante naar Mexico met een verlies van het ingezetenschap van Nederland per het eerste kwartaal van 2005 zien, anders dan voor de laatste kwartalen van 2004 het geval was.

De Raad overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden in onderling verband, zoals die consistent naar voren zijn gekomen in de gehouden hoorzitting in de bezwaarfase, in de zitting van de rechtbank en in zijn eigen zitting, appellante het middelpunt van haar maatschappelijk leven sociaal en economisch per het eerste kwartaal van 2005 definitief heeft verlegd naar Mexico. Appellante is toen met haar Mexicaanse echtgenoot [naam echtgenoot] en gezin met kind in Mexico gaan wonen. Zij had zelf haar onderzoeksbezigheden te Yucatan in Mexico en niets wees erop dat zij nog, laat staan snel - als verlangd op voet van het Kb 1999, 746- naar Nederland zou terugkeren om zich daar weer te vestigen. Haar echtgenoot had zelf ook werk voor een viertal jaren in Mexico, was als vader tevens belast met de zorg van het gezin met het kind en zij zelf had de wens zich zoveel bij hem en haar gezin te voegen. Ook verbleef zij kennelijk wel bij haar schoonouders, die in de nabijheid van Mexico City woonden. Terugkeer naar Nederland is feitelijk ook nimmer meer aan de orde gekomen, zelfs niet in het kader van haar studie. Een enige tijd voortgezette formele inschrijving hier te lande in Wageningen maakt die feiten niet anders.

Alles overziende, acht de Raad het dan ook een alleszins aanvaardbare uitkomst dat als omslagpunt voor het verlies van ingezetenschap en het niet meer verzekerd zijn met toepassing van de artikelen 2, 3 en 6 van de Akw is genomen de peildatum 1 januari 2005.

De Raad kan daarenboven niet inzien hoe deze benadering rechtsongelijkheid als door appellante aangegeven meebrengt. In tegendeel, in de situatie dat appellante haar afstudeerprojekt zou hebben gehad op een laboratorium te Wageningen is er sprake van een geheel andere feitelijke situatie met een op Nederland toegespitst sociaal leven en economisch bestaan dan in het geval dat zich zoals hier bij een vereist langdurig doorlopend verblijf in het buitenland om sociale, economische en studietechnische redenen voor appellante metterdaad heeft voorgedaan. Het is op basis van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Akw met een specifiek beperkte uitbreiding in het Kb 1999, 746 dat in deze naar omstandigheden uiteenlopende situaties een door de Svb en de Raad te eerbiedigen onderscheid dient te worden gemaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

RB