Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
05-3669 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medisch gezien geschikt voor eigen werk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3669 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 april 2005, 04/1928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Lebesque, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Lebesque. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. B.H.C. de Bruijn.

Na genoemde zitting is het onderzoek heropend en is appellant de gelegenheid geboden een medische expertise door de zenuwarts C.J.F. Kemperman te doen uitvoeren.

Het rapport van Kemperman, gedateerd 6 oktober 2007, is door de Raad op

2 november 2007 ontvangen. Naar aanleiding van dit rapport heeft het Uwv een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 19 november 2007 ingestuurd.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 augustus 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, geweigerd appellant met ingang van 7 oktober 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat met name uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder hoofdpijnklachten. De verzekeringsartsen beschikten over relevante informatie van de behandelende artsen en hebben kennis genomen van de psychiatrische expertise van J.D.J. Tilanus. De door appellant overgelegde informatie geeft de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank is voldoende overtuigd van de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk als hoofd logistiek. De hoofdpijnklachten waardoor appellant zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten zijn niet medisch objectiveerbaar gebleken.

In hoger beroep heeft appellant informatie van de neuroloog en neurochirurg overgelegd. Voorts heeft hij een expertiserapport van Kemperman in het geding gebracht. Hij heeft er op gewezen dat hij sinds december 2005 voor dezelfde klachten wel een ZW-uitkering ontvangt.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Ook de door appellant ingebrachte medische informatie leidt niet tot een andere conclusie. Noch uit de informatie van de neuroloog en neuro-chirurg noch uit het uitvoerige rapport van Kemperman komt naar voren dat appellant objectief bezien op de datum in geding meer beperkingen heeft dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Kemperman concludeert dat er in 2004 een psychiatrisch toestandsbeeld aanwezig was maar spreekt zich niet expliciet uit over de datum in geding, 7 oktober 2003. Hij acht appellant beperkt voor teveel werkdruk en kan zich verenigen met de Functionele Mogelijkheden Lijst van 20 februari 2004. Lichamelijk is volgens hem sprake van een stabiele situatie.

Het feit dat appellant sinds december 2005 een ZW-uitkering ontvangt leidt evenmin tot een ander oordeel reeds omdat het onderhavige geschil ziet op de datum 7 oktober 2003, ruim twee jaar daarvoor.

Het hoger beroep slaagt dus niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op

8 februari 2008.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.H.A. Uri.