Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
06-3807 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WAO- dagloon een juiste hoogte, inclusief de rechtens geldende aanvullingen vastgesteld? Loondervingsprincipe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3807 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 18 mei 2005, 05/870 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 31 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. J.R. Beukema, adviseur Juricon Adviesgroep heeft de gronden aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007, waar adviseur Beukema als gemachtigde van appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de relevante dagloonbepalingen en CAO- bepalingen ( brandstoffenbedrijf ), zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep is de centrale vraag nog of het WAO- dagloon van appellant, een jaar eerder wegens gehoorklachten uitgevallen tankwagenchauffeur, per 19 mei 2001 op een juiste hoogte, inclusief de rechtens geldende aanvullingen is vastgesteld.

Appellant heeft de onjuistheid hiervan gemotiveerd in geschrifte en geadstrueerd ter zitting in het licht doen stellen.

Met de rechtbank beantwoordt de Raad de hierboven gestelde vraag evenwel in bevestigende zin.

Vooreerst komt de Raad de vaststelling van het dagloon aan de hand van de duidelijk uitsluitsel biedende finale loonstrook over mei 2001 van de voormalige werkgever van appellant als uitgangspunt een verantwoorde weerslag van het in artikel 14 van de WAO vervatte dervingsprincipe voor en gaat daarbij op goede gronden als basis uit van het daadwerkelijk genoten salaris. Voor verdere optrekking van het dagloon op voet van functiegroep 4 met twee periodieken uit de CAO voor het brandstoffenbedrijf of verder, gelijk van de zijde van appellant met wisselende argumentatie bepleit, in plaats van de nullijn te hanteren zoals is geschied in het aangehouden dagloon, ziet de Raad noch in de gemengde aard van de functie van chauffeur/algemeen medewerker noch in de afgepaste wijze waarop de functie is vervuld een toereikend in rechte afdwingbaar houvast. Ook in het licht van de kennelijk niet onomstreden grondslag hiervan tussen partijen nog ter zitting ware hiertoe evenmin ex aequo et bono zonder meer over te gaan. Appellant heeft hieromtrent destijds ook geen met vrucht afgeronde rechterlijke procedure gevolgd, terwijl de in wezen mislukte onderhandelingen met de betrokken werkgever uiteindelijk evenmin in definitief afgeronde en uitvoerbare afspraken zijn omgezet. Daardoor heeft appellant geen doorslaggevend processueel en materieel bewijs voor zijn stellingen ter verhoging van het WAO- dagloon kunnen leveren. In de geschetste medische situatie van appellant ziet de Raad evenmin reden hieromtrent anders te oordelen, te minder nu zulks appellant niet heeft belet zelf schriftelijk weerwerk te leveren en waar aangewezen raadslieden als gemachtigde in te schakelen in procedures. Overigens is in hoger beroep geen bijkomende concretiseerbare onderbouwing door de adviseur van appellant aangedragen welke de Raad na zorgvuldige weging alsnog tot een (deels) andere overtuiging zou hebben kunnen brengen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en

G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.