Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
04-6200 WAO + 05-984 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6200 WAO + 05/984 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 oktober 2004, kenmerk 03 1839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 8 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen, gedateerd 14 februari 2005. Namens appellante is tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is doorgezonden naar de Raad. Met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad zijn oordeel geven over het besluit van 14 februari 2005.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 december 2007. Partijen zijn niet verschenen, zoals tevoren schriftelijk was aangekondigd.

II. OVERWEGINGEN

In het kader van de behandeling van haar aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellante op

12 februari 2001 op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts A.R.I.S. Timmer. Blijkens zijn rapport van 12 februari 2001 heeft hij appellante onderzocht, heeft hij kennisgenomen van de aanwezige informatie van de huisarts en heeft hij telefonisch gesproken met de behandelend fysiotherapeut. De voor appellante per einde wachttijd geldende arbeidsbeperkingen heeft hij neergelegd in een FIS-belastbaarheidspatroon, gedateerd 12 februari 2001. Aan appellante is vervolgens een voorschot op haar uitkering toegekend. Een arbeidskundig onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts J. Generaal Brouwer op 4 juli 2002 rapport uitgebracht. Zij heeft de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een FML gedateerd 4 juli 2002. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige J.S. Zandgrond met behulp van het CBBS functies geselecteerd, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante per

7 februari 2001 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, aangezien zij per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2002. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat het besluit van 22 oktober 2002 niet op de FML van 4 juli 2002 maar op het FIS-belastbaarheidspatroon van 12 februari 2001 had moeten zijn gebaseerd. De bezwaarverzekeringsarts kon zich na dossieronderzoek en na kennisneming van een door appellante overgelegd rapport van de neuroloog H.K. van Walbeek van 17 januari 2003 verenigen met het FIS-belastbaarheidspatroon van

12 februari 2001. De bezwaararbeidsdeskundige F.L. de Roo heeft vervolgens op basis van dat belastbaarheidspatroon met behulp van het FIS een drietal functies geselecteerd, te weten portier (fb 5992), bankbediende (fb 3396) en telefonist-centralist (fb 3802), resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% per einde wachttijd.

Bij besluit van 9 oktober 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2002 vervolgens ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit getoetst en in orde bevonden. Aangezien de rechtbank een niet gemotiveerde overschrijding op het aspect tillen in de functies van bankbediende en portier signaleerde, heeft zij het beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak, een en ander met vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft zich in hoger beroep beperkt tot het aanvechten van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij heeft aangevoerd dat er medisch geen volledige heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden.

De Raad overweegt dat appellante in hoger beroep heeft volstaan met een summiere herhaling van de medische grieven die zij in beroep had aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom zij niet kunnen slagen. De Raad heeft daaraan niets toe te voegen.

De wijze waarop de medische heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden ontmoet bij de Raad geen bezwaar. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt welke gegevens hij in zijn oordeelsvorming heeft betrokkenen en waarom eigen onderzoek en het inwinnen van nadere informatie bij de behandelend sector niet noodzakelijk was.

Het hoger beroep treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met betrekking tot het door de Raad met toepassing van artikel 6:19 van de Awb te beoordelen beroep tegen het besluit van 14 februari 2005 overweegt de Raad het volgende.

Dit besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak waarbij het besluit van 9 oktober 2003 op arbeidskundige gronden is vernietigd. De rechtbank heeft deze vernietiging doen steunen op de overweging dat de functies van portier en bankbediende een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op het aspect tillen opleveren, zodat deze functies zonder nadere toelichting niet aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. Het Uwv heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank en de zaak voorgelegd aan de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen en de bezwaarverzekeringsarts B. Admiraal. Zij hebben op 10 februari 2005 rapport uitgebracht, waarna het Uwv het besluit van 14 februari 2005 heeft genomen.

Appellante heeft aangevoerd dat zij er niet mee akkoord kan gaan dat er nu een nieuwe beschrijving van de functie is gegeven waaruit blijkt dat tillen toch minder is dan eerder beschreven.

Deze grief treft geen doel. Er is geen nieuwe functiebeschrijving gehanteerd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de eerder geduide functies van portier en bankbediende afgezet tegen het FIS-belastbaarheidspatroon van 12 februari 2001 en op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat er geen sprake is van een te hoge tilbelasting.

Het beroep tegen het besluit van 14 februari 2005 moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 februari 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2008.

(get.) J.Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

HS