Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07-1186 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WUBO-uitkering. Niet voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1186 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 januari 2007, kenmerk JZ/A70/2007, door verweerster te haren aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van L. Gulickx, werkzaam bij de Stichting Pelita, als gemachtigde, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indië, in januari 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op lichamelijke klachten - in het bijzonder oogklachten - en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië.

1.1. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 18 augustus 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond, samengevat, dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten internering in de Soekaboemische Opvoedingsgestichten (SOG) tijdens de zogenoemde Bersiap-periode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.

Hiertoe is in het bijzonder overwogen dat het verblijf in de SOG tijdens de periode van de Japanse bezetting niet onder de werking van de Wet valt. Voorts is overwogen dat de lichamelijke klachten, waaronder de oogklachten, niet zijn toe te schrijven aan de internering tijdens de Bersiap-periode, en dat de wel aan die internering toe te schrijven psychische klachten niet tot zodanige beperkingen in het dagelijks functioneren hebben geleid dat sprake is van blijvende invaliditeit.

2. In beroep heeft appellante zich in eerste plaats gekeerd tegen verweersters opvatting dat geen sprake is van met het oorlogsgeweld verband houdend oogletsel. Hierbij heeft appellante gewezen op de slechte levensomstandigheden tijdens haar verblijf in de SOG, die ertoe hebben geleid dat zij adequate behandeling van haar toen beginnende oogklachten heeft moeten ontberen. Verder is aangevoerd dat haar psychische klachten ernstiger zijn dan zij, als gevolg van haar natuurlijke terughoudendheid, tegenover de namens verweerster onderzoekend arts heeft laten blijken en dat die psychische klachten mede ook tot allerlei lichamelijke klachten hebben geleid.

3. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct

verbonden handelingen of omstandigheden;

- tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- tengevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

3.1.2. Als oorlogservaringen tijdens de Japanse bezettingsperiode heeft appellante naar voren gebracht het meemaken van hardhandige huiszoekingen door Japanse soldaten en de omstandigheid dat zij vervolgens uit angst voor de Japanners en uit voorzorg door haar ouders werd ondergebracht in de SOG, gedurende welke periode zij veel ontberingen heeft geleden. Tijdens de Bersiap-perode was er een voortdurende dreiging van de Indonesische extremisten, die de SOG bovendien gedurende enige tijd bezet hebben gehouden, en waren er vuurgevechten in de omgeving tussen de extremisten en de geallieerde troepen.

3.1.3. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die appellante heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiapperiode op zichzelf niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

3.1.4. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven en algemene historische documenten zijn geraadpleegd en door appellante opgegeven getuigen zoveel mogelijk zijn benaderd, is voorts als in de Wet benoemde calamiteit alleen bevestiging gevonden van de door appellante gestelde bezetting van de SOG door de extremisten gedurende ongeveer een week. Verweerster heeft die bezetting, als leidende tot internering van appellante, dan ook als oorlogscalamiteit in de zin van de Wet erkend.

Ook de Raad is uit de voorhanden gegevens niet van andere, voor de toepassing van de Wet in aanmerking te nemen calamiteiten gebleken.

Hiermee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiapperiode ook naast de genoemde periode van bezetting door de extremisten bijzonder angstige omstandigheden heeft ervaren. De Wet heeft echter een beperkte strekking en ziet alleen op daarin omschreven specifieke gebeurtenissen.

3.2. Ten aanzien van de psychische klachten van appellante staat verweerster op het standpunt dat deze niet van zodanige aard en omvang zijn dat gesproken kan worden van een voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen invaliditeit.

3.2.1. Deze zienswijze van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een door een van deze adviseurs, de arts G. Kho, op 2 augustus 2006 ingesteld onderzoek van appellante en op gegevens uit de behandelende sector. Uit de adviezen komt naar voren dat bij appellante af en toe sprake is van piekeren en van angstdromen maar dat er onvoldoende symptomen zijn gevonden om tot een psychiatrische diagnose te komen. Voorts is in aanmerking genomen dat appellante in psychisch opzicht in het leven van alledag adequaat, passend bij haar leeftijd, functioneert.

3.2.3. De Raad acht het bestreden besluit ten aanzien van de psychische klachten op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Uit de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om - gezien naar het hier van belang zijnde tijdstip - te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend letsel. Daarbij laat de Raad ook wegen dat appellante zich in verband met de gestelde psychische klachten nimmer onder medische behandeling heeft gesteld.

De Raad heeft aan de uitgebrachte medische rapportage niet kunnen ontlenen - mede gezien het door de Stichting Pelita opgemaakte sociaal rapport omtrent appellante - dat door de onderzoekende arts voorbij is gegaan aan voor de beoordeling van de onder-havige aanvraag relevante omstandigheden. In dit verband merkt de Raad nog op dat het appellante vrijstaat om zich bij een toename van haar psychische klachten met een hernieuwde aanvraag tot verweerster te wenden.

3.3. Haar standpunt ten aanzien van de oogklachten heeft verweerster eveneens gebaseerd op de hierboven onder 3.2.1 genoemde medische adviezen. Uit die adviezen komt naar voren - blijkens het verhandelde ter zitting mede ontleend aan de eigen verklaringen van appellante tegenover de haar behandelend oogartsen - dat appellante reeds tijdens de Japanse bezettingsperiode tengevolge van een ontsteking aan het rechteroog blind is geworden, zodat in dit opzicht geen verband kan bestaan met de aanvaarde oorlogs-calamiteit. Voorts komt naar voren dat de klachten aan het linkeroog het gevolg zijn van een netvliesloslating in 1991, welke aandoening constitutioneel en degeneratief van aard is zodat ook daarvoor geen causaal verband met de oorlogscalamiteit bestaat.

3.3.1. De Raad heeft ten aanzien van de oogklachten in de voorhanden medische gegevens evenmin aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de terzake aan verweerster uitgebrachte medische adviezen. In overeenstemming met hetgeen hiervoor onder 3.1.3. al is overwogen, dient daarbij in aanmerking te worden genomen dat de slechte levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren, de verminderde mogelijkheid van medische behandeling hieronder begrepen, op zichzelf niet kunnen meebrengen dat de oogaandoeningen van appellante onder de werkingssfeer van de Wet kunnen worden gebracht.

4. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD