Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
06-5014 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5014 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2006, 05/5500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beoep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Voor appellante is mr. Oosterveen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 1 april 2003, onder aftrek van haar pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau dat zij in het verleden over meerdere bankrekeningen beschikte, is appellante opgeroepen voor een gesprek op de dienst SoZaWe op 28 februari 2005. Daarbij is haar verzocht bepaalde gegevens over te leggen waaronder afschriften van eerder verzwegen bankrekeningen. Bij besluiten van

28 februari 2005 respectievelijk 24 augustus 2005 is het recht op bijstand van appellante opgeschort en ingetrokken met ingang van 1 maart 2005. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij beschikt over een (verzwegen) vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 28 februari 2005 en 24 augustus 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de gevraagde gegevens niet zijn overgelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover nog van belang, het tegen het besluit van 4 oktober 2005 ingestelde beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante in het geding gebrachte stukken onvoldoende zijn om vast te stellen wat de omvang van haar vermogen op 1 maart 2005 was. De rechtbank had daarbij met name op het oog niet overgelegde afschriften van de niet opgeheven girorekening met nummer [nummer]. Het College had volgens de rechtbank derhalve aan de intrekking ten grondslag dienen te leggen dat (als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting) het recht op bijstand per 1 maart 2005 niet kan worden vastgesteld.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 oktober 2005 in stand zijn gelaten.

Bij besluit van 8 november 2005 is aan appellante met ingang van 17 oktober 2005 weer aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar en ouder toegekend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat aan de bij het besluit van 4 oktober 2005 gehandhaafde opschorting en intrekking van (het recht op) bijstand van appellante per 1 maart 2005 artikel 54, eerste respectievelijk vierde lid, van de WWB geacht moeten worden ten grondslag te zijn gelegd.

De Raad stelt voorts vast dat de opschorting van het recht op bijstand zich in feite heeft uitgestrekt over de periode van 1 maart 2005 tot 24 augustus 2005 en dat daarmee de maximaal mogelijke opschortingstermijn van acht weken ruim is overschreden. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB4918, moet derhalve worden geoordeeld dat het College niet bevoegd was tot zodanige opschorting en - in het verlengde daarvan - evenmin tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB. In zoverre kan de uitspraak van de rechtbank, zij het op enigszins andere gronden, worden onderschreven.

De Raad kan de rechtbank evenwel niet volgen waar zij overweegt dat met name het niet overleggen van de afschriften van de op naam van appellante staande girorekening [nummer] tot gevolg heeft dat het recht op bijstand van appellante per 1 maart 2005 niet (langer) kan worden vastgesteld. Zoals de Raad al vaker heeft uitgesproken, dienen immers bij de beantwoording van de vraag of als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld - met inachtneming van de goede procesorde - tevens nader in (hoger) beroep overgelegde stukken in de beoordeling te worden betrokken. De door appellante alsnog overgelegde gegevens met betrekking tot de girorekening [nummer] verschaffen naar het oordeel van de Raad ter zake thans voldoende duidelijkheid, zodat niet langer staande kan worden gehouden dat die rekening een beletsel vormt om het recht op bijstand per 1 maart 2005 vast te stellen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het College derhalve opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Met het oog op dat besluit merkt de Raad nog het volgende op. Uit de beschikbare gegevens komt onder meer naar voren dat appellante op 31 december 2002 beschikte over een aanvankelijk verzwegen bankrekening (nr. 3448202304) bij de Rabobank met een positief saldo van € 50.153,--, welke rekening op 17 januari 2003 is opgeheven. Door appellante is gesteld dat dit bedrag de opbrengst uit verkoop van de voormalige echtelijke woning betrof en dat een omvangrijk deel daarvan als erfdeel, uit de nalatenschap van haar in 1999 overleden echtgenoot, aan hun acht kinderen is uitgekeerd. Het staat het College vrij, mede in aanmerking genomen dat aan appellante reeds met ingang van

1 april 2003 aanvullende bijstand is toegekend, bij de beoordeling van het recht op bijstand per 1 maart 2005 te betrekken of en in hoeverre appellante op die datum nog geacht kon worden de beschikking te hebben over (het restant van) dat eerder bestaande banktegoed. Van de zijde van appellante mag voorts worden gevergd dat zij, in het kader van de vaststelling van haar vermogenspositie per 1 maart 2005, alsnog aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens inzicht verschaft in de geldstromen (met als bron evengenoemd banktegoed) die na 31 december 2002 nog hebben plaatsgevonden.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd en dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) W. Altenaar.

IJ