Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07-2560 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving afwijzing van de aanvraag om uitbreiding van vergoeding van huishoudelijke hulp ingevolge de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2560 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 13 april 2007, kenmerk CR 12348, door verweerster te haren aanzien genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van B. Nachbar-Cohen te Bergen op Zoom als haar raadsvrouw, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst in de eerste plaats naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 29 juni 2006, 05/2148 WUV. Bij die uitspraak heeft de Raad vernietigd het eerdere, na bezwaar genomen, besluit van verweerster van 3 maart 2005 tot handhaving van de afwijzing van de aanvraag van appellante van 14 augustus 2004 om uitbreiding van de haar vanwege haar, met de vervolging verband houdende, psychische klachten toegekende vergoeding van huishoudelijke hulp van 4 uren naar 12 uren per week. Daartoe heeft de Raad overwogen, kort samengevat, dat het besluit ten onrechte niet was gebaseerd op recente omtrent de situatie van appellante verkregen medische informatie en dat het op de weg van verweersters geneeskundig adviseur had gelegen om zich door middel van bijvoorbeeld een eigen onderzoek over de actuele situatie van appellante een beeld te vormen.

2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerster haar geneeskundig adviseur, de arts A.M. Koop verzocht om een medisch onderzoek van appellante uit te voeren. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006, en daarvan is op 27 november 2006 rapport uitgebracht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft de genoemde geneeskundig adviseur geconcludeerd en geadviseerd dat een uitbreiding van huis-houdelijke hulp tot 12 uren per week niet medisch noodzakelijk is, nu geen sprake is van zodanige beperkingen dat appellante niet in staat is tot het uitvoeren van lichte huishoudelijke werkzaamheden, terwijl evenmin sprake is van zelfverwaarlozing of van chaos in het huishouden. Verweerster heeft vervolgens, overeenkomstig dit aan haar uitgebrachte medisch advies, de afwijzing van de aanvraag van appellante bij het bestreden besluit wederom gehandhaafd.

3. In beroep tegen het bestreden besluit is namens appellante de juistheid van het door de geneeskundig adviseur Koop uitgebrachte rapport op diverse punten bestreden en zijn ook grieven ingebracht over de wijze waarop het medisch onderzoek heeft plaats-gevonden. In het bijzonder is aangevoerd, kort samengevat, dat appellante dwangmatig is gepreoccupeerd door orde en netheid en dat juist het piekeren en de zorgen daarover leiden tot een zodanige toename van haar psychische klachten dat de uitvoering van ook lichte huishoudelijke werkzaamheden ernstig belastend is. De omstandigheid dat de geneeskundig adviseur van verweerster dit tijdens het onderzoek niet kon en wilde begrijpen heeft naar de mening van appellante aan dit onderzoek ernstig afbreuk gedaan.

4. De Raad overweegt terzake als volgt.

4.1. In eerdere soortgelijke gevallen heeft de Raad het ook hier gehanteerde uitgangspunt van verweerster, dat bij psychische klachten in beginsel wordt volstaan met toekenning van huishoudelijke hulp voor 4 uren per week, aanvaard als passend bij een juiste en redelijke toepassing van artikel 20 van de Wet.

Nagegaan moet echter worden of gezegd kan worden dat de psychische klachten van appellante dermate ernstig van aard zijn en tot zodanige belemmeringen leiden dat verweerster in dit geval van dit uitgangspunt had dienen af te wijken.

In dit verband hanteert verweerster de maatstaf of vanwege de aanwezige psychische klachten gesproken kan worden van (zelf)verwaarlozing of van chaotisch gedrag ten aanzien van het huishouden. Ook deze maatstaf heeft de Raad in vaste rechtspraak aanvaardbaar geoordeeld.

4.2. De Raad stelt, aan de hand van het daarover uitgebrachte rapport, vast dat het door de geneeskundig adviseur Koop ingestelde onderzoek erop gericht is geweest om de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen te beantwoorden. Daarbij gaat het erom om te bepalen welk beperkingen de betrokken aanvrager, appellante, in het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden feitelijk ondervindt en of als gevolg daarvan sprake is van zelfverwaarlozing of chaos. Hoewel de Raad alleszins begrip heeft voor de andere insteek die appellante voor ogen staat, kan op basis daarvan niet worden geoordeeld dat het ingestelde medisch onderzoek te kort is geschoten. Met dit onderzoek heeft verweerster derhalve in voldoende mate uitvoering gegeven aan de hiervoor onder 1. genoemde uitspraak van de Raad.

4.3. In het geheel van de thans voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om onjuist te oordelen het, aan medisch advies ontleende standpunt van verweerster dat bij appellante geen sprake is van een zodanige toename van de feitelijke beperkingen dat op het hiervoor onder 3.1 geformuleerde uitgangspunt een uitzondering had moeten worden gemaakt. De Raad kan voorts niet terzijde laten dat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ook andere, voor de toepassing van de Wet niet meetellende factoren - zoals het verminderde aandeel in de huishouding van de echtgenoot van appellante als gevolg van zijn gevorderde leeftijd, en lichamelijke klachten van appellante zelf - een zekere rol spelen. Bij de onderhavige voorziening moet het bovendien gaan om (in verband met de voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen ziekten en/of gebreken te maken) extra kosten van huishoudelijke hulp, dat wil zeggen uitgaande boven hetgeen in het maatschappelijk verkeer als algemeen gebruikelijk is aan te merken.

4.4. Een en ander afwegende ziet de Raad voor vernietiging van het bestreden besluit onvoldoende grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD