Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07-100 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding gemaakt van inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/100 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 december 2006, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2007. Appellant is in persoon verschenen. Daartoe ambtshalve opgeroepen is voor het Uwv verschenen mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is met ingang van 6 oktober 1983 door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) een invaliditeitspensioen toegekend. Met ingang van 19 november 1990 is appellant gaan werken als projectcoördinator woningbouw. Dit werk heeft hij moeten staken in verband met ingetreden arbeidsongeschiktheid. Ingaande 28 april 1993 is aan hem door de toenmalige uitvoeringsinstelling Gak een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf die datum ontving appellant twee arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Met ingang van 1 januari 1998 zijn de uitkeringen door de toenmalige uitvoeringsinstelling USZO samengevoegd tot één WAO-uitkering. Daarbij zijn beide uitkeringen bij elkaar opgeteld.

Naar aanleiding van een anonieme tip met betrekking tot verzwegen werkzaamheden en/of inkomsten is een onderzoek ingesteld naar appellant, van welk onderzoek op 30 augustus 1999 rapport is opgemaakt. Dit rapport vermeldt onder meer dat appellant bij het ABP/USZO nimmer melding heeft gemaakt van het gegeven dat hij naast zijn invaliditeitspensioen werkzaamheden is gaan verrichten. Verder heeft hij nooit gemeld dat hij naast zijn invaliditeitspensioen een WAO-uitkering ontving van het Gak. Ook bij het Gak heeft appellant nooit gemeld dat hij naast zijn WAO-uitkering een invaliditeitspensioen genoot van ABP/USZO. Op 2 mei 1996 heeft appellant tegenover een verzekeringsarts van USZO verklaard dat hij vanaf 1983 niet meer deelneemt aan het arbeidsproces. Op twee formulieren “algemene invaliditeit” van het ABP en vier inlichtingenformulieren AAW/WAO van het Gak is onjuiste opgave gedaan.

Bij besluit van 10 februari 2003 is het dagloon waarnaar de samengevoegde WAO-uitkering van appellant wordt berekend met ingang van 1 januari 1998 gecorrigeerd. Bij besluit van 15 juli 2004 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 februari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 augustus 2005 het beroep van appellant tegen het besluit van 15 juli 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat het besluit van 15 juli 2004 voor wat betreft de terugwerkende kracht een deugdelijke motivering ontbeert en dan ook op dit punt in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 februari 2003 wederom ongegrond verklaard. In dit besluit heeft het Uwv uiteengezet dat per 1 januari 1998 de hoogte van het dagloon onjuist is vastgesteld. Er had moeten worden uitgegaan van het dagloon van de WAO-conforme uitkering omdat dit dagloon hoger was dan het dagloon van de WAO-uitkering uit de marktsector. Aangezien appellant twee ongekorte uitkeringen ontving is er destijds ten onrechte vanuit gegaan dat hij twee uitkeringen genoot uit hoofde van twee gelijktijdig vervulde betrekkingen. In feite was er sprake van achtereenvolgens vervulde dienstbetrekkingen. Voorts heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat vanaf 1 januari 1998 naar een te hoog bedrag uitkering is verstrekt mede aan toedoen van appellant is te wijten, nu hij geen melding heeft gemaakt van neveninkomsten naast zijn invaliditeitspensioen en voorts na toekenning van de WAO-uitkering op de daarvoor bestemde formulieren de vraag of hij in het genot was van een andere uitkering, telkens met ‘nee’ heeft beantwoord.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 30 mei 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij allereerst overwogen dat het Uwv thans voldoende inzicht heeft gegeven in de besluitvorming. Naar haar oordeel is het standpunt van het Uwv in het besluit van 30 mei 2006 eenduidig weergegeven. Voort heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“Uit de gedingstukken blijkt niet dat eiser bij het ABP (later USZO) en het GAK melding heeft gemaakt van inkomsten uit werk en/of uitkering. De (in formulieren gestelde) vraag of eiser naast zijn uitkering nog inkomsten (uit arbeid of uitkering) ontving heeft eiser, tot de samenvoeging van zijn uitkeringen, altijd met "nee" beantwoord. Uit het dossier blijkt op geen enkele manier dat eiser - zoals hij stelt - met (telefonische) toestemming van het ABP (arbeidstherapeutisch) is blijven werken in de adviserende functie die hij al voor zijn arbeidsongeschiktheid in 1983 naast zijn werk bij de gemeente Heemstede zou hebben uitgeoefend. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser naast zijn op een fulltime functie gebaseerde uitkering vanaf begin jaren '90 inkomsten had op basis van een fulltime dienstverband en later een tweede uitkering op basis van een fulltime dienstverband. Dat eiser toestemming had van het ABP naast zijn volledige uitkering nog fulltime betaalde werkzaamheden uit te oefenen zonder korting van inkomsten komt de rechtbank niet aannemelijk voor. In ieder geval is eiser er niet in geslaagd dit aan te tonen.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals door verweerder in het bestreden besluit en ter zitting nader toegelicht, genoegzaam is komen vast te staan dat de omstandigheid dat eiser nimmer melding heeft gemaakt van zijn inkomsten/tweede uitkering ertoe heeft geleid dat twee ongekorte uitkeringen naast elkaar bestonden, hetgeen bij de (min of meer automatische) samenvoeging heeft geleid tot het onjuiste uitgangspunt dat sprake was van twee (ongekorte) uitkeringen, ontstaan op basis van twee naast elkaar vervulde dienstbetrekkingen. Dat verweerder strikt genomen bij de samenvoeging over alle relevante gegevens beschikte laat onverlet dat de samenvoeging nimmer zo zou hebben plaatsgevonden wanneer eiser, op (een van) de veelvuldige momenten waarop daarnaar was gevraagd, kenbaar had gemaakt dat hij naast zijn uitkering nog inkomsten uit arbeid ontving. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat door toedoen van eiser tot een te hoog bedrag uitkering is toegekend. Onder deze omstandigheden heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 36a WAO, gelezen in samenhang met de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen, terecht besloten de uitkering met terugwerkende kracht tot aan de datum van de samenvoeging te herzien, in die zin dat eiser met ingang van die datum een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend op basis van het hoogste dagloon. De omstandigheid dat, nadat duidelijk was dat eiser een te hoge uitkering was toegekend (het frauderapport dateert van 30 augustus 1999), nog veel tijd is verstreken tot daadwerkelijk herziening heeft plaatsgevonden (waarbij een eerder besluit nog door de rechtbank is vernietigd vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering) brengt niet met zich dat verweerder om die reden van herziening met terugwerkende kracht had moeten afzien. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser altijd heeft moeten weten dat hij (veel) te veel uitkering ontving. Daarbij komt dat eiser van het fraudeonderzoek op de hoogte was en zelf ook had kunnen informeren naar de mogelijke consequenties hiervan op zijn uitkering.”

De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad verenigt zich met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij wel degelijk schriftelijk geïnformeerd heeft naar de hoogte van zijn uitkering, voegt de Raad hier aan toe dat blijkens de gedingstukken appellant zich pas op 29 november 2002 tot het Uwv/USZO heeft gewend met een klacht. Dit is na het onderzoek waarvan appellant op de hoogte was. Voorts gaat het te dezen vooral om de inlichtingen die appellant in het verleden heeft verschaft. Deze inlichtingen waren onjuist, waardoor er per 1 januari 1998 ten onrechte van is uitgegaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van appellant voortvloeiden uit twee gelijktijdig vervulde dienstbetrekkingen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

RB