Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
06-6757 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstandsuitkering als geldlening. Vermogen in de vorm van een eigen woning. Overschrijding vermogensgrens. Is terecht geen rekening gehouden met een door appellant gestelde lening bij zijn moeder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6757 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 oktober 2006, 05/2664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: Dagelijks bestuur) als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist.

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug per 1 mei 2007 de taken en bevoegdheden uit in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) die voorheen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (verder: College) werden uitgeoefend.

Namens appellant heeft mr. P.A.M.H. van der Laan, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Laan. Het Dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door IJ.N.B. Goossens, werkzaam voor de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 4 april 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend.

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het College appellant met ingang van 7 maart 2005 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is bepaald dat appellant de bijstand ontvangt in de vorm van een geldlening op de grond dat na aftrek van € 43.100,-- op het in de woning gebonden vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de WWB, het vermogen van appellant de in artikel 34, derde lid, van de WWB genoemde vermogensgrens overschrijdt met een bedrag van € 27.464,17.

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat geen rekening kan worden gehouden met een door appellant gestelde lening bij zijn moeder van € 45.378,02 ten behoeve van de aankoop van zijn eigen woning in 2002.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde hier in geding, wordt in een geval als het onderhavige de bijstand verleend in de vorm van een geldlening voor zover het vermogen gebonden in de woning hoger is dan € 43.100,-- bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB.

Vaststaat dat appellant in het bezit is van een eigen woning waarvan de waarde onder aftrek van hypotheek uitstijgt boven genoemd bedrag. In geschil is slechts of rekening moet worden gehouden met een door appellant gestelde lening bij zijn moeder, als gevolg waarvan het totale vermogen onder genoemde grens van € 43.100,-- zou komen te liggen en de bijstand om niet zou moeten worden verleend.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dienen positieve bestanddelen van het vermogen van een bijstandsgerechtigde slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Vaststaat dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand geen melding van schulden heeft gemaakt en eerst in bezwaar tegen het toekenningsbesluit van 15 juni 2005 heeft gesteld dat sprake is van een lening bij zijn moeder.

De Raad laat in het midden of in het onderhavige geval het feitelijk bestaan van de door appellant gestelde schuld in voldoende mate aannemelijk is gemaakt, nu hij met de rechtbank van oordeel is dat de vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting reeds ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de in hoger beroep overgelegde - ongedateerde - schuldbekentenis geen aflossingsverplichting bevat, maar slechts bepaalt dat de hoofdsom te allen tijde aflosbaar en opeisbaar is. Daarmee is onzeker of zal worden terugbetaald, zodat naar het oordeel van de Raad van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting niet kan worden gesproken. Verder heeft de moeder van appellant op 22 april 2005 schriftelijk verklaard dat er tot op heden geen terugbetalingen zijn verricht. En naar appellant, blijkens het verslag van de hoorzitting van 4 augustus 2005, heeft verklaard is er met zijn moeder de afspraak dat de lening ook niet zal worden afgelost. Dat appellant, zoals hij tijdens het onderzoek ter zitting heeft toegelicht, aan zijn moeder jaarlijks een rente van 4% over het bedoelde bedrag betaalt en dat zijn moeder van deze rente inkomsten opgave doet bij de fiscus, doet daaraan niet af.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

IJ