Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
06-185 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ziekengeld. Geschiktheid eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/185 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 november 2005, 05/1091, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007.

Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig garagehouder. Aan appellant is met ingang van 1 juli 1998 in verband met rugklachten een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, welke uitkering per 1 mei 1999 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met appellants inkomsten werd deze uitkering slechts gedeeltelijk uitbetaald.

Appellant is na verkoop van zijn bedrijf op 1 juli 2002 voor een jaar als APK-keurmeester voor 24 uur per week bij hetzelfde bedrijf in dienst getreden, hetgeen ertoe leidde dat de uitkering ingevolge de WAZ vanaf die datum voor 35% (naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%) werd uitbetaald.

Per 1 april 2003 heeft appellant zich wegens rugklachten ziek gemeld. Het garagebedrijf is nadien beëindigd. Naar aanleiding van zijn ziekmelding heeft appellant over de maximale termijn van 52 weken ziekengeld ontvangen.

Op 29 juni 2004 is appellant ter beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. Deze heeft na onderzoek van appellant slechts enkele lichte beperkingen ten aanzien van de rug vastgesteld en appellant niet arbeidsongeschikt geacht.

Bij besluit van 5 juli 2004 is aan appellant in aansluiting op de wachttijd van 52 weken met ingang van 30 maart 2004 geen uitkering ingevolge de WAO toegekend. Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit is appellant gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die na onderzoek en kennisneming van gegevens van de behandelend sector beperkingen vaststelde in verband met appellants rugklachten en deze vastlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens onderzoek verricht naar de aard en de zwaarte van appellants werk als APK-keurmeester en aan de hand hiervan geconcludeerd dat appellant, gelet op het vastgestelde belastbaarheidspatroon en de belasting in die functie, geschikt moest worden geacht voor de maatgevende arbeid als APK-keurmeester bij een vergelijkbaar bedrijf.

Bij besluit van 6 april 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2004 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit is ook appellants bezwaar tegen een primair besluit van 29 juni 2004 tot weigering van ziekengeld per 30 maart 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, vaststellend dat aan appellant over de maximale termijn ziekengeld is verstrekt en dat tegen het bestreden besluit geen grieven zijn aangevoerd voorzover het de uitkering ingevolge de Ziektewet betreft, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank berustte het bestreden besluit eveneens op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep alleen betrekking heeft op de weigering van het Uwv om appellant per 30 maart 2004 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad is in navolging van de rechtbank van oordeel dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 oktober 2004/15 november 2004 blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts, op basis van diens onderzoeksbevindingen en met inachtneming van de informatie van de behandelend sector, vastgestelde belastbaarheid van appellant. Met betrekking tot de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van 21 juni 2006 van orthopedisch chirurg dr. F.M.C. van den Eeden, bij wie appellant in de loop van 2006 in behandeling is gekomen, verwijst de Raad naar het commentaar van bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons van 4 december 2007. Daarin wordt - naar het oordeel van de Raad terecht - opgemerkt dat de lichte bewegingsbeperkingen van de lage rug al eerder door de bezwaarverzekeringsarts werden waargenomen en dat met de degeneratieve verschijnselen al rekening werd gehouden. Dat inmiddels een operatie wordt overwogen impliceert evenmin dat de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding onjuist werd beoordeeld.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft na een bezoek aan appellants voormalige werkgever en een bedrijfsbezoek bij een vergelijkbaar garagebedrijf de belasting van appellants werk als APK-keurmeester naar het oordeel van de Raad zorgvuldig in beeld gebracht. In aanmerking nemend dat appellant, zoals hij ook zelf stelde in een brief van 18 maart 2005, geen reparaties verrichtte, en zich uitsluitend bezig hield met gemiddeld 5 tot 6 APK-keuringen per week, dat daarbij niet zwaar hoefde te worden getild en dat appellant ook niet of nauwelijks beperkt is geacht in buigen, ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat de belasting in dat werk de belastbaarheid van appellant overschreed.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL