Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07-238 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit tot weigering erkenning betrokkene als oorlogsgetroffene. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/238 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 november 2006, kenmerk JZ/W60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat zij de oorlogsjaren onder slechte omstandigheden heeft doorgemaakt.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 27 juni 1996, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 21 januari 1997, op de grond dat niet aanneme-lijk is geworden dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. In dat verband is in het bijzonder overwogen dat appellante in het de aanvraag begeleidend sociaal rapport heeft aangegeven nimmer door de Japanners geïnterneerd te zijn geweest. Tegen het besluit van 21 januari 1997 heeft appellante geen beroep ingesteld.

Ìn maart 2002 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek om op grond van de Wet in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 30 oktober 2002, onder overweging dat niet is gebleken van nieuwe gegevens of feiten die kunnen leiden tot herziening van de eerdergenoemde besluiten. Hierbij heeft verweerster doorslaggevend geacht dat uit de door haar geraadpleegde archieven, alsmede de informatie van het SAIP en de ter beschikking staande dossiers van een broer en zuster van appellante, wederom niet is gebleken dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Tegen het besluit van 30 oktober 2002 heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

Vervolgens heeft appellante in maart 2006 bij verweerster een verzoek ingediend de eerder genomen besluiten te herzien. In dat verband heeft appellante aangegeven dat zij tijdens de oorlogsjaren op verschillende plaatsen gedwongen heeft verbleven.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 21 juni 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellante bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die, als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen.

Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om de toen genomen besluiten te herzien.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat verweerster, omtrent de door appellante nader genoemde oorlogs-ervaringen, ook na hernieuwde raadpleging van de haar ter beschikking staande gegevens geen bevestiging heeft verkregen dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Wel wordt aannemelijk geacht dat er sprake is geweest van een gedwongen verblijf in het huis van de heer Bletterman te Tjiandjoer, maar dit verblijf dient te worden geplaatst in de na-oorlogse Bersiap-periode en kan daarom niet onder de werking van de Wet worden gebracht.

Voor zover appellante heeft aangegeven dat haar in Nederland verblijvende familieleden wel op grond van hun, met haar eigen ervaringen vergelijkbare oorlogservaringen in aanmerking zijn gebracht voor een uitkering, merkt de Raad op dat - zoals namens verweerster ter zitting toegelicht - die toekenning heeft plaatsgevonden in het kader van de, op appellante vanwege haar Indonesische nationaliteit niet toepasselijke Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en wel vanwege gebeurtenissen welke hebben plaatsgevonden tijdens de Bersiap-periode.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD