Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
05/5609 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering. Verlaging WAO-uitkering. Beroep ingesteld door werkgever. Voldoende zorgvuldig onderzoek? Overschrijding redelijke termijn?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5609 WAO + 5610 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juli 2005, 02/1551 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 02/4162 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007.

Namens appellante zijn verschenen mr. Van Zijl voornoemd en J.M.W.N. Derks als arts-gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

Desgevraagd heeft [werknemer], voormalig werknemer bij appellante (hierna: de werknemer), schriftelijk medegedeeld niet aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 januari 2002 heeft het Uwv aan de werknemer met ingang van 16 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 maart 2002 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van de werknemer met ingang van 17 juli 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Ook tegen dit besluit is namens appellante bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 september 2002 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

Het gaat thans om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten 1 en 2 in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Bestreden besluit 1 (aangevallen uitspraak 1)

De werknemer heeft op 17 november 2000 zijn werk als assistent-uitvoerder bij een aannemer gestaakt wegens depressieve klachten. Hij verrichtte dit werk als uitzendkracht via appellante.

De verzekeringsarts W.M. van der Boog heeft in zijn rapport van 28 november 2001 geoordeeld dat er voor de werknemer na afloop van de wachttijd voor de WAO op 16 november 2001 geen duurzaam benutbare mogelijkheden waren om arbeid te verrichten omdat hij onder psychiatrische deeltijdbehandeling was. Ook was de belastbaarheid nog te sterk wisselend. Er is dan ook geen functionele mogelijkhedenlijst (fml) opgesteld en er zijn geen functies geselecteerd die de werknemer nog zou kunnen verrichten. De bevindingen van de verzekeringsarts hebben geleid tot het toekennen van een volledige WAO-uitkering.

Namens appellante is aangevoerd dat het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van arbeidsongeschiktheid van de werknemer bij de aanvang van de verzekering voor de WAO. Ingevolge artikel 30 van de WAO is het Uwv bevoegd om de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten wanneer er bij aanvang van de verzekering al sprake was van algehele arbeidsongeschiktheid.

Voorts is aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben. Uit het dossier blijkt dat de deeltijdbehandeling van de werknemer drie dagen per week in beslag nam. Niet duidelijk is waarom de werknemer op de overige dagen niet enige vorm van arbeid zou kunnen verrichten.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de afwezigheid van ziekteperiodes in het arbeidsverleden van de werknemer, er geen aanleiding is om aan te nemen dat de oorzaken van de uitval in november 2000 ook al aanwezig waren bij het begin van de verzekering op 22 mei 2000. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad medegedeeld dat het, anders dan de gemachtigde van appellante meent, wel mogelijk is om ziekmeldingen uit het verleden terug te vinden in een daarvoor door het Uwv gebruikt systeem. Er zijn echter geen ziekmeldingen gevonden. De Raad ziet geen reden om aan de juistheid van die bevindingen van het Uwv te twijfelen.

Ten aanzien van de vraag of de verzekeringsarts er terecht van is uitgegaan dat de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid had verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 23 mei 2006, LJN AX7476. Deze uitspraak heeft eveneens betrekking op de situatie dat het Uwv ervan uitging dat iemand die een deeltijdbehandeling onderging geen duurzaam benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van arbeid. Ook ging het om een hoger beroep dat was ingesteld door een werkgever. De Raad overwoog in die uitspraak het volgende:

“De Raad acht het niet uitgesloten dat een intensieve behandeling -ook al vindt die behandeling niet elke dag plaats- een zodanig beslag legt op de tijd en energie van de betrokkene, dat er geen resterende mogelijkheden meer zijn om arbeid te verrichten. Daarbij zal niet alleen naar het tijdsbeslag van de behandeling zelf moeten worden gekeken, maar ook naar de lichamelijke en psychische invloed die de behandeling heeft op de betrokkene in de resterende tijd. In een dergelijke situatie mag echter van het Uwv worden verlangd dat hiernaar een zorgvuldig onderzoek wordt verricht en dat de beslissing om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen deugdelijk wordt gemotiveerd. Het vereiste van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering geldt temeer in de situatie dat een derde, in casu de werkgever, belang heeft bij de beslissing over de WAO-uitkering. Voor de werkgever heeft de toekenning van een WAO-uitkering aan de ex-werknemer immers tot gevolg dat hij een hogere gedifferentieerde premie moet betalen. Indien bij de beslissing tot toekenning van de WAO-uitkering niet of niet voldoende aan deze eisen is voldaan, moet dit alsnog bij het nemen van de beslissing op bezwaar gebeuren.”

Gelet op het bovenstaande dient zich de vraag aan of het Uwv in de situatie die hier aan de orde is, bij het nemen van bestreden besluit 1, aan de eisen van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering heeft voldaan. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval en is bestreden besluit 1 genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in welke artikelen die eisen zijn neergelegd.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts die de werknemer op 28 november 2001 heeft onderzocht geen informatie bij de behandelende sector heeft opgevraagd. De verzekeringsarts is kennelijk afgegaan op de mededeling van de werknemer dat hij 3 dagen per week groepstherapie volgt en de overige 4 dagen merendeels op zijn kamer zit en neigt tot terugvallen in passiviteit. Een zorgvuldig onderzoek zou naar het oordeel van de Raad met zich hebben gebracht dat de verzekeringsarts zich door de behandeld psychiater van nadere details over de gezondheidstoestand van de werknemer en de behandeling op de hoogte had laten stellen.

In zijn rapport van 23 juni 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel aangegeven dat de juistheid van de beoordeling per einde wachttijd achteraf is bevestigd door de inmiddels verkregen informatie van “de Zwolse Poort”, de instelling voor geestelijke gezondheidszorg waar de werknemer onder behandeling is geweest. Volgens die informatie heeft de deeltijdbehandeling een jaar geduurd en is deze sinds 22 februari 2002 afgesloten.

De Raad onderschrijft niet de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat met deze informatie achteraf alsnog een voldoende onderbouwing is gegeven voor het aannemen van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De Raad wijst er daarbij op dat uit de informatie van de Zwolse Poort niet blijkt dat de behandeling zodanig intensief was dat de werknemer geen enkele mogelijkheid had om daarnaast nog enige werkzaamheden te verrichten. Evenmin blijkt uit deze informatie van dusdanig ernstige beperkingen, dat geconcludeerd moet worden dat hij naast die behandeling niet tot arbeid in staat moet zijn geweest. Daarbij komt nog dat de werknemer zelf bij het medisch onderzoek op 28 november 2001 heeft aangegeven op zoek te zijn naar vrijwilligerswerk.

Het voorgaande leidt er toe dat bestreden besluit 1 alsmede de aangevallen uitspraak 1, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen en dat het Uwv opnieuw dient te beslissen op het namens appellante ingediende bezwaar.

Bestreden besluit 2 (aangevallen uitspraak 2)

De verzekeringsarts S. Ytsma heeft in april 2002 geoordeeld dat de depressieve stoornis van de werknemer in remissie is en dat de werknemer voor halve dagen belastbaar is. Er is een fml opgesteld en de arbeidsdeskundige heeft op basis van de aangegeven mogelijkheden een aantal functies geselecteerd uit het zogeheten Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS).

Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor de werknemer geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 45 tot 55%. Dit heeft geleid tot het besluit van 17 mei 2002 waarbij de uitkering van de werknemer met ingang van 17 juli 2002 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De namens appellante aangevoerde grieven richten zich met name tegen het oordeel van de verzekeringsarts dat de werknemer slechts voor halve dagen belastbaar is, welk oordeel volgens de door appellante ingeschakelde arts-gemachtigde J.M.W.N. Derks niet goed zou zijn onderbouwd.

Daarnaast zijn enige arbeidskundige grieven aangevoerd die zijn verwoord in een op 6 februari 2003 gedateerd rapport van de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige F.D. Kooistra.

De arts-gemachtigde Derks heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts Ytsma in april 2002 geen duidelijke psychische klachten meer vaststelde. De informatie van de Zwolse Poort toont aan dat de werknemer bezig is met het vinden van werk dan wel het starten van een opleiding. De werknemer wordt in staat geacht een SPH opleiding te volgen. Er wordt niet vermeld dat de werknemer een dergelijke opleiding slechts parttime zou kunnen volgen. Niet valt in te zien dat de werknemer maar 4 uur per dag zou kunnen werken als rekening wordt gehouden met zijn beperkingen op psychisch gebied. Dat de werknemer nog behoefte heeft aan hulpverlening doet daar niet aan af.

De Raad onderschrijft de zienswijze van Derks en is van oordeel dat het Uwv ook in dit geval onvoldoende heeft onderbouwd waarom er voor de werknemer een urenbeperking van 4 uur per dag moet gelden.

De Raad is derhalve van oordeel dat bestreden besluit 2 niet is gebaseerd op een voldoende zorgvuldig onderzoek en dat een dragende motivering voor de vastgestelde medische beperkingen ontbreekt, met name waar het de urenbeperking betreft. De namens appellante aangevoerde arbeidskundige grieven behoeven geen bespreking meer.

Het voorgaande leidt er toe dat bestreden besluit 2 alsmede de aangevallen uitspraak 2, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen en dat het Uwv opnieuw dient te beslissen op het namens appellante ingediend bezwaar.

Overschrijding redelijke termijn

Namens appellante is in beide beroepszaken geklaagd over de lange behandelingsduur, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb.1951, 154 (hierna: het EVRM). De in aanmerking te nemen termijn ten aanzien van bestreden besluit 1 is aangevangen op 7 februari 2002. Ten aanzien van bestreden besluit 2 is de termijn aangevangen op 1 juli 2002. Dit zijn de data waarop de bezwaarschriften tegen de besluiten van respectievelijk 23 januari 2002 en

17 mei 2002 door het Uwv zijn ontvangen. De termijn loopt af op de datum van deze uitspraak. De Raad is, gelet op de totale duur van deze procedure (meer dan vijf jaar), de aard van de procedure en de proceshouding van appellante, van oordeel dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Raad stelt voorts vast dat deze schending uitsluitend haar oorzaak vindt in het rechterlijk aandeel in de behandeling. Voor de vaststelling van de eventuele gevolgen die moeten worden verbonden aan deze schending, dient appellante zich tot de burgerlijke rechter te wenden.

Proceskosten

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.932,-. Deze kosten zijn als volgt berekend. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het gewicht van de zaak bepaald op 1 (gemiddeld). Voor het indienen van het beroepschrift wordt 1 punt toegekend (in eerste aanleg 2 aparte beroepschriften en in hoger beroep 1 beroepschrift voor beide zaken). Voor het verschijnen ter zitting van mr. Van Zijl wordt per keer 1 punt toegekend en een halve punt per keer voor de arts-gemachtigde Derks. Zowel bij de rechtbank als bij de Raad zijn de beide beroepszaken ter zitting gevoegd behandeld. Een punt heeft een waarde van € 322,-.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van de door appellante ingeschakelde deskundigen overweegt de Raad het volgende. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding voor een verslag van een deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Hieruit volgt dat een forfaitaire vergoeding geldt op basis van het aantal bestede uren, waarbij het uurtarief is vastgesteld op € 81,23.

De arts-gemachtigde Derks heeft rapporten uitgebracht op 16 oktober 2002, 10 februari 2003, 19 september 2003 en 9 januari 2004. Voor de 3 eerstgenoemde rapporten is de bestede tijd aangegeven. Dit betreft respectievelijk 120, 45 en 75 minuten, in totaal 240 minuten. Voor het rapport van 9 januari 2004 kan geen vergoeding worden toegekend omdat de kosten van het rapport niet bekend zijn en geen tijdsbesteding is aangegeven.

De arbeidsdeskundige Kooistra heeft rapporten uitgebracht op 6 februari 2003 en 25 augustus 2003. Hiervoor is een bestede tijd aangegeven van respectievelijk 3,25 uur (195 minuten) en 40 minuten, in totaal 235 minuten. De totale vergoeding voor de deskundigenrapporten komt uit op € 641,72 (7,9 uur x € 81,23).

Kosten bezwaarprocedure

In het bezwaarschrift dat is gericht tegen het besluit van 17 mei 2002 inzake de herziening van de WAO-uitkering, welk bezwaar heeft geleid tot bestreden besluit 2, is verzocht om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb een vergoeding toe te kennen voor de kosten die in de bezwaarprocedure zijn gemaakt. In bestreden besluit 2 is niet op dit verzoek ingegaan, wellicht omdat het bezwaar ongegrond is verklaard. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 mei 2002 tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om alsnog over te gaan tot het vergoeden van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.573,72, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 1.264,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM