Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06/5437 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering bijstandsuitkering. Kasstortingen op bankrekening. Leningen. Concrete terugbetalingsverplichting? 2) Toekenning. Juiste bijstandsnorm?

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 61
USZ 2008/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5437 WWB

07/1814 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juli 2006, 05/3801 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, van Italiaanse nationaliteit, heeft tot februari 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering ontvangen. Nadat hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet was geweigerd, heeft hij op 21 juni 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Appellant is gehuwd, en zijn echtgenote heeft de Duitse nationaliteit, evenals hun minderjarige dochter. De aanvraag is afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 28 september 2004, omdat appellant niet over een op grond van het gemeenschaprecht verblijfsrecht beschikt, zodat hij niet tot de rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB behoort. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit op bezwaar van 15 november 2004 is appellant alsnog een verblijfsvergunning verleend voor de duur van één jaar voor het doel “gemeenschapsonderdaan”.

Op 17 februari 2005 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan. Op deze aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 10 maart 2005. Bij zijn bezwaarschrift heeft appellant een verblijfsdocument overgelegd dat tot 5 juli 2009 geldig is. Bij besluit op bezwaar van 11 oktober 2005 is aan appellant bijstand toegekend met ingang van 1 augustus 2005 naar de norm voor een alleenstaande. Dit laatste omdat de echtgenote en dochter geen verblijfsstatus hebben op grond waarvan zij in aanmerking komen voor bijstand. De ingangsdatum van de bijstand houdt verband met het feit dat appellant over de periode vanaf 5 juli 2004 - de datum waarop hij met terugwerkende kracht een verblijfstitel heeft gekregen - tot en met juli 2005 naar het oordeel van het College zelf in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan heeft kunnen voorzien, gelet de hoogte van de bedragen die in die periode op eigen bankrekening zijn gestort. Met ingang van 18 januari 2006 is bijstand toegekend naar de gehuwdennorm.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2005 op onderdelen vernietigd en het College opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort samengevat, dat met uitzondering van een schuld aan [J.] ter hoogte van €2.500,--, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de stortingen op eigen rekening in verband moeten worden gebracht met leningen van diverse familieleden aan appellant (1). Voorts is overwogen dat het College er aan voorbij heeft gezien dat de stortingen die wel terecht als inkomen zijn aangemerkt zijn gedaan ter voorziening in het levensonderhoud van niet alleen appellant maar zijn hele gezin, zodat bij de berekening van de bijstandsbehoevendheid van appellant deze stortingen hadden moeten worden afgezet tegen de bijstandsnorm die geldt voor gehuwden (2). Verder heeft de rechtbank overwogen dat terecht is vastgesteld dat de echtgenote van appellant op 5 juli 2004 en op 1 augustus 2005 geen recht had op bijstand, omdat zij destijds geen inkomsten uit arbeid genoot en geen sprake was van een rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht te ontlenen verblijfsrecht. Aan appellant is, nu ook de dochter geen verblijfsrecht had, ten tijde in geding terecht bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande (3). Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het College wat de dochter betreft ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 8 augustus 2005, LJN AU0687, en niet heeft bezien of zij in verband met het Verdrag inzake de rechten van het kind niet toch voor bijstand in aanmerking had moeten worden gebracht, zodat het besluit van 11 oktober 2005 wat dat betreft onzorgvuldig is voorbereid (4).

Appellant heeft hoger beroep ingesteld ter zake van de rechtsoordelen hiervoor weergegeven onder 1 en 3.

Het College heeft in de uitspraak berust en ter uitvoering van de overwegingen weergegeven bij 2 en 4, en rekening houdend met het oordeel van de rechtbank over de schuld aan [J.], een nieuw besluit op bezwaar genomen op 14 november 2006. Het bezwaar van appellant is daarbij wederom ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep en het besluit van 14 november 2006 zijn door de rechtbank doorgezonden aan de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op grond van het bepaalde in artikel 6:18 en artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe besluit op bezwaar.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht oordeelt de Raad als volgt.

Leningen

Ingevolge vaste rechtspraak kunnen schulden slechts in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan daarvan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan de schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. Uit de door appellant in het kader van zijn aanvraag overgelegde stukken bleek van een groot aantal kasstortingen op zijn bankrekening. Desgevraagd heeft appellant meegedeeld dit geld als lening van familieleden en vrienden te hebben ontvangen, waarbij hij onder meer verklaringen heeft overgelegd van zijn broer en moeder. Uit die verklaringen blijkt slechts dat appellant geld is geleend (€ 7.500,-- en € 12.000,-- ). Van enige concrete terugbetalingsverplichting blijkt evenwel niet. In later opgemaakte verklaringen is aangegeven dat men het geld zo snel mogelijk terug wil hebben, waarbij de moeder overigens ook heeft aangegeven dat appellant het geld mag investeren in een eigen zaak. In de later overgelegde verklaringen van verschillende vrienden van appellant ([B.] en [I.]) wordt slechts aangegeven dat men het geld binnen een bepaalde termijn terug wil hebben. Tot slot zijn enkele afschriften van Money Transfer in geding gebracht.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit vorenstaande verklaringen en bewijsstukken onvoldoende blijkt dat de stortingen op de eigen rekening moeten worden toegeschreven aan leningen, zoals door appellant is gesteld. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats gewogen dat appellant het bestaan van leningen niet bij zijn aanvraag heeft gemeld. Eerst toen naar de herkomst van de stortingen is gevraagd heeft appellant verklaringen van juli 2004 van zijn broer en moeder overgelegd. Uit die verklaringen blijkt in het geheel niet van een daadwerkelijke verplichting tot aflossing of terugbetaling. Ook de nadien aangepaste verklaringen geven daarvan in onvoldoende mate blijk. De verklaringen van vrienden zijn achteraf opgemaakt en de omstandigheid dat men het geld zo spoedig mogelijk terug wil hebben acht de Raad te weinig concreet. Weliswaar is in sommige verklaringen naderhand wel een termijn genoemd waarbinnen appellant het geld terug zou moeten betalen, maar ook dat acht de Raad in dit geval onvoldoende. De afschriften van Money Transfer bevatten in het geheel geen aanwijzing voor het bestaan van een lening.

Dit betekent dat het College de stortingen die in de periode in geding zijn gedaan terecht heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32 van de WWB.

Bijstandnorm

Aan appellant is aanvankelijk bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Per 18 januari 2006 is bijstand verleend naar de gehuwdennorm. Voorts heeft het College erkend dat appellant, nu hij per 1 juli 2005 kinderbijslag ontving voor de minderjarige dochter in beginsel per die datum recht zou hebben op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Derhalve is uitsluitend nog in geschil of appellant en zijn echtgenote in de periode voor 18 januari 2006 in aanmerking hadden moeten worden gebracht voor bijstand volgens de norm voor gehuwden.

Daartoe heeft appellant in de eerste plaats gesteld dat het College geen zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsstatus van zijn echtgenote, maar dat uitsluitend is afgegaan op de GBA-code.

Die stelling onderschrijft de Raad niet. In de brief van 11 april 2006 aan de rechtbank wordt door de directeur van de Dienst Werk, Zorg en Inkomen verslag gedaan van het onderzoek dat in de bezwaarfase is gedaan naar de verblijfsstatus van de partner van appellant. Aangegeven is dat het feit dat de echtgenote zelf ten tijde van belang nog nooit in Nederland had gewerkt betekent dat zij geen rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen. Ook aan Richtlijn nr. 90/365/EEG van 28 juni 1990 kan de echtgenote geen geldige verblijfstitel ontlenen, omdat zij de partner was van iemand zonder arbeid die een beroep deed op de publieke middelen. De Raad leidt uit deze uiteenzetting af dat het College zich bij het nemen van het besluit op bezwaar niet heeft beperkt tot verificatie van de GBA-code waarmee zijn echtgenote stond geregistreerd bij de vreemdelingendienst, maar zich wel degelijk zelfstandig heeft gebogen over de vraag naar haar verblijfsrecht.

Nu het College voorts terecht heeft overwogen dat de echtgenote van appellant ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf hield in Nederland, zoals bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, kan ook het beroep van appellant op artikel 11, vierde lid, van de WWB niet slagen. Ingevolge deze bepaling komt het recht op bijstand de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft. Appellants echtgenote was destijds immers niet als rechthebbende aan te merken.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Het besluit van 14 november 2006

In verband met rechtsoordeel 2 van de rechtbank heeft het College het totaal van de in de periode juli 2004 tot en met juli 2005 gedane stortingen, verminderd met een bedrag van € 2.500,--. (zijnde de lening door [J.]) vastgesteld op € 16.900,--. Het College heeft dit bedrag vergeleken met het totaalbedrag aan bijstand volgens de gehuwdennorm over die periode (€ 14.988,64) en geconstateerd dat de inkomsten van appellant zodanig hoog waren dat hij geacht kan worden zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben kunnen voorzien, zodat geen recht op bijstand bestond in die periode. Over de periode van juli 2005 tot 18 januari 2006 heeft het College eenzelfde soort berekening uitgevoerd. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat appellant in die periode recht zou hebben gehad op een uitkering volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Het College is tot de conclusie gekomen dat appellant geen recht heeft op een nabetaling (ter hoogte van het verschil tussen de alleenstaande norm en die voor een alleenstaande ouder), omdat het bedrag aan inkomsten in die maanden gevoegd bij het bedrag aan betaalde bijstand hoger is dan de bijstand volgens de gehuwdennorm.

De Raad acht deze berekeningen en conclusies juist. Daarbij tekent de Raad aan dat het College met toepassing van artikel 45, tweede lid, van de WWB het totaal van de maandbedragen aan inkomsten en bijstand in aanmerking heeft genomen. Gelet op het feit dat het College eerst achteraf van de stortingen op de hoogte was en de (sterk) wisselende hoogte hiervan waarvan bovendien de herkomst niet duidelijk is geworden, acht de Raad deze handelwijze van het College niet onredelijk.

Het vorenstaande betekent niet alleen dat het College terecht 1 augustus 2005 als ingangsdatum voor de bijstand aan appellant heeft genomen, maar ook dat het College naar aanleiding van rechtsoordeel 4 met juistheid heeft overwogen dat de dochter van appellant daarmee niet te kort is gedaan. Gelet op het totale inkomstenniveau kon appellant ook voor zijn dochter voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en is geen sprake van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB.

Het beroep tegen het besluit van 14 november 2006 wordt dan ook ongegrond verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESSLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H.Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR