Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-4332 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Hoofdverblijf?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4332 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juni 2006, 05/2271 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 december 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving vanaf 1986 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante samenwoonde met de vader van haar kind, [naam vader] (hierna: [naam vader]), heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is op 20 april 2004 op het adres van appellante aan De Dreef 140 te ’s-Gravenhage een huisbezoek afgelegd - bij welke gelegenheid appellante en [naam vader] zijn gehoord - en is op 23 april 2004 een verklaring door appellante afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 20 respectievelijk 26 april 2004.

Op grond hiervan heeft het College geconcludeerd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [naam vader]. Daarop heeft het College bij besluit van 2 juli 2004 de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2004 gewijzigd (lees: herzien).

Bij besluit van 26 juli 2004 heeft het College voorts de bijstand van appellante over de periode 23 oktober 2002 tot en met 30 april 2004 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 17.846,09 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 2 juli 2004 en 26 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat bij het primaire besluit van 2 juli 2004 de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2004 is herzien en dat het College deze herziening niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij zijn besluit van 18 februari 2005 heeft het College de herziening per 1 mei 2004 en de herziening over de periode 23 oktober 2002 tot en met 30 april 2004 onverkort gehandhaafd. Naar vaste rechtspraak brengt dit mee dat hier de periode van 23 oktober 2002 tot en met de datum van het primaire besluit (2 juli 2004) ter beoordeling voorligt.

In geschil is het antwoord op de vraag of het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [naam vader] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [naam vader] in november 1989 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [naam vader] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegevens van het voornoemde onderzoek genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [naam vader] gedurende het hier aan de orde zijnde tijdvak beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad.

Volgens het rapportageformulier van 20 april 2004 hebben appellante en [naam vader] tijdens het huisbezoek op 20 april 2004 onder meer verklaard dat [naam vader] regelmatig bij appellante verblijft in verband met het feit dat hij vanwege zijn gezondheid verzorging nodig heeft. [naam vader] heeft tijdens dat bezoek verklaard graag nog een eigen woning te hebben om wel eens een dagje alleen te zijn.

De Raad heeft voorts acht geslagen op de inhoud van de door appellante ten overstaan van de onderzoeksambtenaren op 23 april 2004 afgelegde en vervolgens (zonder voorbehoud) ondertekende verklaring. Appellante heeft onder meer verklaard dat “[naam vader] 8 jaar geleden ziek is geworden en uiteindelijk in de WAO terecht is gekomen. Zijn toestand is de laatste 1,5 jaar zeer verslechterd. Ik heb hem toen gelijk aangeboden dat hij bij mij intrekt want zijn gezondheid laat het niet toe dat hij nog alleen is. En sinds die tijd is hij hoofdzakelijk bij mij ter verzorging”.

Dat de voornoemde verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De Raad voegt daaraan nog toe dat verklaringen van 20 april 2004 en 23 april 2004 in belangrijke mate overeenstemmen en dat deze tevens steun vinden in de ten huize van appellante aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek van 20 april 2004, waarbij immers diverse persoonlijke bezittingen van [naam vader] werden aangetroffen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [naam vader] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Nu appellante van deze gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan aan het College heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB (zoals dit artikellid tot 1 januari 2008 luidde) geschonden, zodat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot herziening van de bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het voorgaande brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de teveel aan appellante verleende bijstand. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ