Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-7377 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering, wegens overschrijding vermogensgrens. Negatieve vermogensbestanddelen meenemen? Geldlening bij familie. Daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 62
ABkort 2008/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7377 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 november 2006, 05/4144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving bijstand laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellante op 31 december 2002 een vermogen had van € 17.612,--, heeft de sociale recherche van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende uitkering. In dat kader is onderzoek gedaan naar op naam van appellante staande bankrekeningen en is appellante gehoord. Daarbij is naar voren gekomen dat appellante, naast de bij het College bekende bankrekening, nog vijf andere bankrekeningen op haar naam had staan.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen, die zijn neergelegd in een proces-verbaal van 16 augustus 2005, heeft het College bij besluit van 1 februari 2005 de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 september 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.322,97 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 11 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de grief dat de aangevallen uitspraak een onjuist dictum bevat omdat het beroep gegrond in plaats van ongegrond verklaard had dienen te worden aangezien de rechtbank onder overweging 2.8 heeft geoordeeld dat het besluit van 11 november 2005 deels op een onjuiste wettelijke grondslag berust, is de Raad van oordeel dat deze overweging van de rechtbank, gezien de inhoud van het besluit van 11 november 2005 en (de datum van) het verweerschrift waarnaar wordt verwezen, niet anders kan worden beschouwd dan als een kennelijke verschrijving waaraan in hoger beroep geen consequenties behoeven te worden verbonden.

Niet in geschil is dat appellante op 31 december 2002 naast de bij het College bekende bankrekening nog vijf bankrekeningen op haar naam had staan waarvan zij geen melding heeft gemaakt. Vaststaat dat het saldo van die rekeningen op dat moment totaal € 17.612,-- bedroeg, welk bedrag boven de voor appellante destijds geldende vermogensgrens van € 9.640,-- was gelegen. Het College heeft dat saldo aangemerkt als een vermogensbestanddeel waarover appellante naast haar bijstand kon beschikken in de zin van artikel 51, eerste lid, van de Algemene bijstandswet.

In geschil is of bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen als negatieve vermogensbestanddelen hadden moeten worden meegenomen primair een geldlening bij familie van appellante tot een bedrag van totaal € 10.910,--, zodat ten tijde in geding sprake is van een vermogen beneden de voor appellante geldende vermogensgrens, en subsidiair een schuld bij de Dexiabank, voortvloeiend uit een op 12 juli 2000 afgesloten leaseovereenkomst met een looptijd van tien jaar, van een zodanige hoogte dat ten tijde in geding sprake is van een negatief vermogen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dienen positieve bestanddelen van het vermogen van een bijstandsgerechtigde slechts gesaldeerd te worden met schulden waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

Met betrekking tot de door appellante gestelde schulden aan haar familie is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante niet genoegzaam heeft aangetoond dat de tegoeden op de bankrekeningen (deels) als geleend geld moeten worden aangemerkt. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat door appellante weliswaar overzichten zijn overgelegd waarop bijschrijvingen en opnames ten tijde hier van belang staan vermeld, maar dat geen stukken voorhanden zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld van wie en met welk oogmerk appellante welk bedrag heeft ontvangen. Als gevolg van het ontbreken van verifieerbare gegevens is het bestaan van schulden onvoldoende aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de schuld bij Dexiabank overweegt de Raad als volgt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat appellante aan haar verplichtingen uit overeenkomst, bestaande uit een rentevergoeding over het geleasede aandelenpakket, heeft voldaan door vooruitbetaling van de maandbedragen met een bedrag ineens voor de eerste drie jaren van de looptijd van deze overeenkomst en nadien door betaling van een maandelijks bedrag vanaf 16 juli 2003, zodat terzake in de periode hier van belang niet van schulden kan worden gesproken. Met betrekking tot de aandelen zelf is geen sprake van schulden aangezien die aandelen niet van appellante waren, zodat deze reeds hierom niet bij het in aanmerking te nemen vermogen betrokken kunnen worden.

Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft vastgesteld dat appellante op 31 december 2002 de beschikking had over vermogen tot het bedrag van € 17.612,--, waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen opgave heeft gedaan. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is sedert 1 januari 2003 ten onrechte bijstand verleend.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellante over de in geding zijnde periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

IJ