Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
05/5837 WAZ, 06/1243 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Bij nader besluit toekenning gedeeltelijke WAZ-uitkering. Beperkingen onderschat. Kan betrokkene geduide functies vervullen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5837 WAZ en 06/1243 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 augustus 2005, 05/93 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.M.M. van Montfort, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Van Montfort en het Uwv door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 22 december 2004 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 8 december 2003 tot weigering aan appellante per 25 maart 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 22 december 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 december 2004 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 december 2004 geheel in stand blijven, een en ander met besluiten omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 22 december 2004 rust op een juiste medische grondslag. Ook de arbeidskundige beoordeling zoals die door het Uwv in de fase van beroep bij de rechtbank is uitgevoerd en leidt tot het oordeel dat appellante per 25 maart 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt is, acht de rechtbank juist. Vernietiging van het besluit van 22 december 2004 heeft plaatsgevonden, omdat deze arbeidskundige beoordeling niet aan het besluit van 22 december 2004 ten grondslag heeft gelegen, maar eerst nadien is verricht.

Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Naar haar mening heeft het Uwv onvoldoende informatie omtrent haar gezondheidstoestand ingewonnen en zijn de bij haar bestaande beperkingen van medische aard onderschat. Zij heeft hiertoe onder meer verwezen naar verklaringen van W.F. Draijer, orthopedisch chirurg, gedateerd

28 april 2004 en 25 november 2005, een orthopedische expertise van dr. A.J.G. Nollen, gedateerd 21 juli 2004, een verklaring van haar huisarts A.T.J. Verijdt, gedateerd 9 december 2005 en een verklaring van W. Vossen, fysiotherapeut, gedateerd 19 december 2005, door haar in hoger beroep overgelegd.

Voorts heeft appellante gesteld dat zij niet beschikt over een MAVO-diploma en dat haar ten onrechte functies zijn voorgehouden waarvoor zo’n diploma is vereist. Daarenboven is naar de mening van appellante bij het duiden van de functies onvoldoende rekening gehouden met haar beperkingen.

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft het Uwv het besluit van 22 december 2004 gewijzigd en appellante alsnog per 25 maart 2004 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit nader onderzoek is gebleken dat bij het duiden van functies er ten onrechte van is uitgegaan dat appellante in het bezit was van een MAVO-diploma. Een aantal van de geduide functies acht het Uwv alsnog niet voor haar geschikt.

Aangezien het Uwv bij het besluit van 13 februari 2006 niet (geheel) aan het door appellante ingestelde hoger beroep tegemoet is gekomen, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat hoger beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad tevens een oordeel over dat nieuwe besluit geven.

Uit hetgeen appellante in haar hoger beroepschrift heeft aangevoerd, zoals nader toegelicht ter zitting, is de Raad gebleken dat al haar grieven ten volle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van het besluit van 13 februari 2006. Aangezien voorts schadevergoeding niet aan de orde is, heeft appellante geen rechtens te beschermen belang meer bij vernietiging van de aangevallen uitspraak, en wordt appellante in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, zulks onder veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellante in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-- ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand en vergoeding van het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht.

Ten aanzien van de grief van appellante dat haar medische beperkingen zijn onderschat, overweegt de Raad als volgt.

Aan het besluit appellante per 25 maart 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% ligt mede ten grondslag dat er voor appellante beperkingen gelden ten aanzien van trillingsbelasting, duwen en trekken, tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens werk, frequent zware lasten hanteren tijdens werk, lopen, lopen tijdens werk, traplopen, klimmen, zitten, zitten tijdens werk, staan, staan tijdens werk, gebogen of getordeerd actief zijn en geknield of gehurkt actief zijn. Deze beperkingen zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 juni 2004.

Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van medische aard is de Raad niet gebleken dat het Uwv bij de vaststelling van deze beperkingen niet beschikte over een volledig en juist inzicht in de beperkingen van appellante op medische gebied. Uit de informatie van Draijer en Nollen blijkt geenszins dat appellante op 25 maart 2004 meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Nog daargelaten dat deze stukken niet zien op de datum in geding – 25 maart 2004 – komt uit deze stukken veeleer het beeld naar voren van geslaagde operaties aan de linker- en rechtervoet met een goed herstel.

Ook de verklaring van Vossen ziet niet op de datum in geding. Voorts kan niet uit het oog worden verloren dat Vossen (para-medicus) weliswaar aangeeft dat het totaalbeeld van appellante is verslechterd ten opzichte van de situatie van voor de operaties aan haar voeten, maar dat hij deze – niet met de informatie van Draijer en Nollen overeenstemmende opvatting – niet heeft onderbouwd.

De verklaring van de huisarts biedt geen nieuwe gezichtspunten. De huisarts verwijst naar de eerder genoemde brief van Draijer van 25 november 2005.

De Raad is dan ook van oordeel dat in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen grond is gelegen om tot het oordeel te komen dat het Uwv bij zijn besluit om appellante per 25 maart 2004 een WAZ-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% is uitgegaan van een onjuist of onvolledig beeld van de voor appellante geldende beperkingen van medische aard.

Naar het oordeel van de Raad kan appellante met deze beperkingen de haar voorgehouden functies vervullen. De Raad is niet gebleken dat bij het duiden van de functies onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante zoals deze zijn vastgelegd in de FML. De Raad kan zich vinden in de aan het besluit van

13 februari 2006 ten grondslag liggende arbeidskundige beoordeling.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het besluit van 13 februari 2006 in rechte kan standhouden en dat het beroep dat daartegen moet worden geacht te zijn ingesteld, ongegrond moet worden verklaard. Termen voor een proceskostenveroordeling wat dat beroep betreft zijn niet aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van

13 februari 2006 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

HS