Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-2931 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (15-25%). Toegenomen beperkingen? Zorgvuldig medisch onderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2931 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2006, 05/2293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Namens appellant is mr. Groeneweg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als inpakker, is op 9 juli 1990 arbeidsongeschikt geworden in verband met psychische klachten. Hem is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Met ingang van 2 augustus 2002 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan is appellant op 1 juli 2003 onderzocht door de verzekeringsarts M. Wirtz. Hij heeft in vergelijking met de bevindingen uit het medisch onderzoek op 28 juni 2001, uitgevoerd in het kader van een eerdere WAO-beoordeling, geen toegenomen beperkingen geconstateerd. Vervolgens heeft het Uwv het besluit van 24 juli 2003 genomen, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 2 augustus 2002 ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk heeft in haar rapportage van 13 november 2003 de bevindingen van verzekeringarts Wirtz onderschreven, waarna het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 23 december 2003 ongegrond heeft verklaard.

Aangezien de rechtbank van oordeel was dat de medische grondslag van het besluit van 23 december 2003, wegens het niet opvragen van nadere informatie bij appellants huisarts, ontoereikend was, heeft zij het beroep van appellant tegen het besluit van 23 december 2003 in haar uitspraak van 14 december 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2004 heeft het Uwv op 12 juli 2005 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit) genomen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat het Uwv met het opvragen van informatie bij de huisarts van appellant de onzorgvuldigheid niet heeft hersteld, dat het bestreden besluit, nu de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijk oordeel ten aanzien van de door appellant ingebrachte rapporten van wijlen psycholoog B.N.V. Hoogeveen en psychiater D. Balraadjsing, is gebaseerd op onvolledige medische informatie en dat daarnaast geen rekening is gehouden met appellants medicijnenverslaving.

De Raad is van oordeel dat uit de beschikbare medische gegevens niet kan worden afgeleid dat op de datum in geding sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2004, heeft de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk bij brief van 22 maart 2005 informatie opgevraagd bij de huisarts V. Primec. Nadat huisarts Primec had aangegeven appellant niet te kennen, heeft haar collega, de huisarts A.S. Hiemstra, de herhaalde vraagstelling van verzekeringsarts Van der Valk van 27 april 2005 bij brief van 14 juni 2005 beantwoord, waarbij zij tevens een huisartsenjournaal van 25 juni 2002 en een brief van de orthopaedisch chirurg A.C. van Rinsum van 16 december 2004 heeft toegestuurd.

Op basis van de beschikbare medische gegevens en naar aanleiding van telefonisch overleg op 27 juni 2005 met huisarts Hiemstra, is bezwaarverzekeringsarts Van der Valk blijkens haar rapportages van 30 juni 2005, 4 juli 2005, 25 oktober 2005 en 4 september 2006 tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Dit oordeel berust volgens de Raad op een juiste en zorgvuldig totstandgekomen medische grondslag en de Raad is van oordeel dat het Uwv hiermee een op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.

Naar het oordeel van de Raad kunnen de rapporten van wijlen psycholoog Hoogeveen en psychiater Balraadjsing hier niet aan afdoen. De bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen heeft in het kader van een eerdere beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW) in zijn rapportage van 14 oktober 2002 reeds onderbouwd weergegeven dat de in het rapport van psycholoog Hoogeveen weergegeven GAF-score van 10 ver naast de werkelijkheid ligt. Daarnaast is de Raad van oordeel dat de diagnose van Balraadjsing, dat per augustus 2002 de psychiatrische klachten van appellant weer zijn toegenomen, mede gelet op het feit dat appellant pas sinds 16 juni 2003 bij hem in behandeling is, onvoldoende is onderbouwd. De Raad kan dan ook niet die waarde hechten aan de betrokken rapporten die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Tenslotte deelt de Raad appellants mening niet dat ten onrechte geen rekening is gehouden met diens medicijnenverslaving, nu uit diverse rapporten, waaronder de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Kempen van 20 maart 2002 en het in opdracht van het Uwv opgestelde rapport van psycholoog M.S.P. Vermeulen van 21 november 2000, kan worden afgeleid dat appellant ook ten tijde van eerdere beoordelingen op grond van de WAO en de ZW al leed aan deze medicijnenverslaving, zodat dit gegeven bij de thans betrokken (bezwaar) verzekeringsarts bekend was.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

MK