Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-600 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische beperkingen onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/600 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2005, 05/2042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.H. Schipper, verbonden aan Utrechtse Juristen Groep B.V. te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 19 mei 2006 heeft het Uwv nog een nader stuk ingezonden. Namens appellante is hierop bij brief van 23 november 2007 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W.L. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellante was werkzaam als parttime interieurverzorgster en heeft zich per 4 maart 2002 ziek gemeld in verband met klachten aan de linkerschouder. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bepaald op 17 juli 2000. In verband met haar op 18 november 2002 ingediende aanvraag is haar met ingang van 18 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In verband met een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid na één jaar is appellante op 8 september 2003 en op 18 augustus 2004 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Colijn. Deze concludeerde in zijn rapport van 18 augustus 2004 dat er aanwijzingen waren voor het bestaan van een CTS, dat zich echter met name in de nacht manifesteerde, dat er redenen waren het bestaan van een psychische aandoening uit te sluiten, dat er met betrekking tot de schouder wel discrete afwijkingen waren, maar dat groot functieverlies niet aan de orde was en dat er aan de hand geen duidelijk verlies van knijpkracht was. Colijn stelde vervolgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum op. Op basis hiervan stelde de arbeidsdeskundige L.F. Korporaal in zijn rapport van 25 oktober 2004 dat appellante weer geschikt was voor haar eigen werk.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 december 2004 ingetrokken.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft aangevoerd dat zij in september 2004 is geopereerd voor een carpaaltunnelsyndroom (CTS) links, maar dat de klachten van de linkerarm bleven bestaan en dat zij op een wachtlijst is gezet voor een operatie aan de linkerschouder. Nadat de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe en de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 4 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april 2005. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de beperkingen van haar linkerarm ernstig zijn onderschat omdat zij haar arm slechts met grote moeite op kan tillen en zij met die arm geen kracht kan zetten. Appellante is verder eind mei 2005 geopereerd aan haar linkerschouder en sedert juni 2005 wordt zij door het Uwv volledig arbeidsongeschikt geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 4 april 2005, hierna: het bestreden besluit, onderschreven.

In hoger beroep heeft appellante opnieuw gesteld dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Voorts is zij van mening dat het onzorgvuldig is dat geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd ondanks het feit dat zij herhaaldelijk heeft aangegeven dat haar klachten waren verergerd en dat zij onder behandeling stond van specialisten en er een operatie op handen was. Appellante meent dat zij voor haar werk beide armen onbeperkt moet kunnen gebruiken. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een verklaring van 15 maart 2006 van haar othopedisch chirurg D.E. Meuffels overgelegd.

De Raad ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

Ingevolge vaste rechtspraak mag de verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet die een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden van een betrokkene of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn of haar beperkingen. Blijkens zijn rapport van 4 april 2005 was de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe op de hoogte van de behandeling van de schouder door de orthopedisch chirurg en ook van het feit dat appellante op 10 februari 2005 op de wachtlijst van 6 tot 14 maanden was geplaatst voor een schouderoperatie. Gelet op de lange wachtlijst voor die operatie en op het feit dat appellante al voor de in geding zijnde datum was hersteld van de CTS-operatie kan niet worden gezegd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de behandelend sector niet is geraadpleegd. Immers, er was geen aanleiding voor de veronderstelling dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zich op afzienbare termijn zouden kunnen wijzigen.

Van de Merwe stelde vast dat appellante met betrekking tot de linkerarm op de in geding zijnde datum in staat was tot licht werk, niet boven schouderhoogte. Zoals de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker in zijn reactie van 19 mei 2006 naar aanleiding van het hoger beroepschrift heeft opgemerkt zijn de bevindingen van Meuffels hiermee niet in tegenspraak. Meuffels achtte appellante bij onderzoek op 14 juli 2005 in staat tot werkzaamheden met een overwegende functie onder 90 graden abductie met een geringe vereiste voor kracht.

Uitgaande van de juistheid van vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het eigen werk van appellante per 27 december 2004 haar belastbaarheid te boven ging. De bezwaararbeidsdeskundige heeft er in zijn rapport van 4 april 2005 op gewezen dat werken met de linkerarm boven schouderhoogte niet mogelijk is, maar dat appellante in gevallen waarin boven schouderhoogte moet worden gewerkt dit werk ook met de rechterarm kan doen, welke arm trouwens dominant is, en dat volgens de voor appellante geldende Functionele Mogelijkheden Lijst het wringen en krachtzetten met de linkerarm niet meer beperkt is na de CTS-operatie.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL