Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-5341 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Feitelijke woonplaats buiten gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5341 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juli 2006, 06/721 en 05/1696 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Namens appellant is verschenen mr. Nijenhuis. Het College heeft zich, met schriftelijke kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving vanaf 2 maart 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van gerezen twijfel omtrent de woon- en leefsituatie van appellant is op verzoek van het College door de Sociale Recherche Fryslân onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. In dat kader hebben observaties plaatsgevonden, zijn huisbezoeken afgelegd op 13 oktober 2004 en 16 februari 2005 op het door appellant opgegeven adres [adres] te [woonplaats] en zijn appellant en [H.] (hierna: [H.]) verhoord.

Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 25 februari 2005 de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 2 maart 2004 en de over de periode van 2 maart 2004 tot 1 februari 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.410,61 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2005 ongegrond verklaard op de grond dat in de hier aan de orde zijnde periode de feitelijke woonplaats van appellant buiten de gemeente Opsterland was.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover hier van belang het beroep van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze op hem betrekking had.

De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 2 maart 2004 tot en met 25 februari 2005.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak weergegeven op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij uitvoerig ingegaan op de door appellant naar voren gebrachte stellingen.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft in essentie de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad voegt daar nog aan toe dat [H.] meermalen in haar, op 16 februari 2005 tegenover de sociale recherche afgelegde en ondertekende, verklaring heeft bevestigd dat appellant zijn hoofdverblijf bij haar in Heerenveen had. Het hoge watergebruik op haar adres en de bevindingen van de huisbezoeken op 13 oktober 2004 en 16 februari 2005 aan het adres van appellant komen overeen met deze verklaring van [H.]. Weliswaar is [H.] nadien teruggekomen op haar verklaring, maar daaraan is terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend. In het aangevoerde ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat [H.] niet aan haar eerste verklaring kan worden gehouden. De stelling van appellant dat het College heeft erkend dat de sociaal rechercheur vooringenomen was onderschrijft de Raad niet. In de betreffende passage in het advies van 18 juli 2005 van de Commissie van het bezwaar- en beroepschriften, dat het College heeft overgenomen, staat niet meer aangegeven dan dat suggestieve opmerkingen niet thuishoren in een rapport van een opsporingsambtenaar.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR