Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-7249 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Productieactiviteiten niet gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7249 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 november 2006, 05/9597 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Huisman, advocaat te ’s-Gravenhage hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 december 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 26 april 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een melding inzake stankoverlast is de politie op 19 april 2005 een pakhuis aan de [adres 1] te [woonplaats] binnengetreden alwaar appellant bezig was met de productie van sambal. Appellant is verhoord en 1500 potjes sambal zijn in beslag genomen. Op 4 mei 2005 is naar aanleiding van een nieuwe melding inzake stankoverlast de politie wederom het pakhuis binnengetreden en is geconstateerd dat appellant is doorgegaan met de bereiding van sambal en chutney. Bij die gelegenheid zijn 825 potjes in beslag genomen.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het College de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 juni 2005. De periode van 1 juni 2005 tot en met datum primaire besluit wordt hierna aangeduid als periode A.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 19 oktober 2004 tot en met 31 mei 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.371,98 van hem teruggevorderd. Deze periode wordt hierna aangeduid als periode B.

Bij besluit van 17 november 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 7 juni 2005 en 21 juli 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College besloten op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot de productie van sambal en de daaruit verkregen inkomsten het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 november 2005 vernietigd voor zover het periode B betreft wegens een onjuiste wettelijke grondslag en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het besluit van 17 november 2005 voor zover betrekking hebbend op periode A in stand gelaten.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het besluit van 17 november 2005 zelf in stand is gebleven (periode A) en voor zover de rechtgevolgen van dat besluit in stand zijn gelaten (periode B).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat appellant zich in de hier aan de orde zijnde periode A en B heeft bezig gehouden met de productie van sambal en daaruit inkomsten heeft verkregen. De Raad verwijst daarbij naar de door appellant op 20 april 2004 afgelegde verklaring, de door hem overgelegde overzichten van inkomsten en uitgaven alsmede het feit dat appellant zijn productieactiviteiten heeft voortgezet in een bedrijfspand te Monster.

Niet in geschil is dat appellant aan het College geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten. Gelet hierop moet worden geconstateerd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB zoals dat luidde tot 1 januari 2008.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient, in gevallen waarin het recht op bijstand op grond van de inlichtingenverplichting wordt ingetrokken en de belanghebbende aanvoert dat er een (aanvullend) recht op bijstand is, deze feiten te stellen en te bewijzen dat indien de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen over de betrokken periode volledige, althans aanvullende bijstand zou zijn verleend. Naar het oordeel van de Raad is appellant hierin niet geslaagd. De door appellant overgelegde, overzichten zijn niet als controleerbare en verifieerbare gegevens aan te merken.

Het vooraanstaande brengt mee dat het College terecht heeft geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om tot intrekking van de bijstand over te gaan over de periode A en B. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB met betrekking tot de periode B. Het College was derhalve bevoegd om de kosten van de over die periode ten onrechte verleende bijstand van appellant terug te vorderen.

Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in zijn geval van dit beleid had af moeten wijken.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get ) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar

AR