Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-3068 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet terugkomen van weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3068 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 mei 2006, 05/6643 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van der Veen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 27 september 2002 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. Dit besluit is, nu appellant hiertegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 26 mei 2004 strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. In zijn verzoek heeft appellant zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat sprake is van nieuwe feiten en dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het besluit van 27 september 2002 evident onjuist zijn. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant de winst- en verliesrekening van zijn voormalig winkelbedrijf Weijers Groente en Fruit over de jaren 1996 en 1998, twee brieven van zijn behandelend cardioloog J.C.L. Wesdorp van 21 februari 2001 en 4 december 2002 en een brief van zijn huisarts R.P. Philbert van 3 december 2002 overgelegd.

Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Uwv dit verzoek, nu geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, afgewezen.

Het Uwv heeft het hiertegen gerichte bezwaar van appellant bij besluit van 8 maart 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens de jurisprudentie van de Raad de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt, dat de rechtbank zich in beginsel dient te beperken tot de beantwoording van de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. In dat kader heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 27 september 2002 geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld. De door appellant overgelegde verklaringen hadden naar het oordeel van de rechtbank reeds naar voren kunnen worden gebracht in het kader van een tijdig geïnitieerde bezwaarprocedure.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere standpunten herhaald. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden eveneens dienen te worden verstaan feiten die destijds wel bekend waren maar niet in de overwegingen zijn betrokken en in die zin dus nieuw zijn.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Appellant heeft de mogelijkheid gehad een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 27 september 2002, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt. Het feit dat de in het kader van het bestreden besluit naar voren gebrachte gegevens niet eerder in de overweging zouden zijn betrokken, maakt dat niet anders. Juist dit gegeven had voor appellant aanleiding kunnen zijn wel een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 27 september 2002.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

HS