Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
05-3930 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv teruggekomen van intrekking ziekengeld. Schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3930 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 mei 2005, 04/1509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Kistemaker-van Blaricum, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 maart 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 18 maart 2004 (lees: 17 maart 2004) ingetrokken. Het Uwv heeft het hiertegen gerichte bezwaar van appellante bij besluit van 15 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het Uwv heeft bij brief van 24 november 2006 het volgende aangevoerd:

“Onderwerp van geschil is de intrekking van uitkering op grond van de Ziektewet in verband met een hersteldverklaring per 17 maart 2004. Appellante ontving deze Ziektewetuitkering vanaf 9 mei 2003. Direct voorafgaand aan haar ziekmelding per

9 mei 2003 ontving appellante een WW-uitkering die haar was toegekend na intrekking van haar WAO-uitkering per 25 maart 2004 (lees: 2003). Tegen de intrekking van WAO-uitkering per 25 maart 2003 heeft appellante bezwaar, beroep en vervolgens hoger beroep aangetekend (uw nr. 04/4969 WAO). In laatstgenoemde hoger beroepszaak hebben wij uw Raad op 19 september 2006 laten weten dat wij de intrekking van WAO-uitkering niet langer handhaven. Naar aanleiding hiervan heeft uw Raad het bestreden WAO-besluit vernietigd. In de betreffende uitspraak van 3 november 2006, heeft uw Raad zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante ingaande 25 maart 2003 ongewijzigd wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Het niet langer handhaven van de intrekking van WAO-uitkering per 25 maart 2004 (lees: 2003) heeft tot gevolg dat achteraf de basis voor een Ziektewetuitkering komt te vervallen. Immers, appellante heeft vanaf 25 maart 2004 (lees: 2003) doorlopend recht op een volledige WAO-uitkering in plaats van op een WW-uitkering en aansluitend een ZW-uitkering. Gelet op het voorgaande geven wij uw Raad in overweging het bestreden besluit te vernietigen.”

Hiermee heeft het Uwv te kennen gegeven het in het bestreden besluit ingenomen standpunt niet langer te handhaven, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

Wat betreft het verzoek van appellante om het Uwv op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de schade aan haar kant, overweegt de Raad als volgt. Appellante heeft haar verzoek om toekenning van schadevergoeding niet nader toegelicht. Voor een veroordeling tot betaling van vergoeding van schade, anders dan schade ten gevolge van vertraging in de voldoening van een geldsom, kan een verzoek als door appellante gedaan geen basis bieden. Daarvoor is een verzoek waarbij uitdrukkelijk andere schadeposten worden genoemd een voorwaarde. Een zodanig verzoek ontbreekt. Voor toewijzing van het verzoek voor zover het betreft wettelijke rente ziet de Raad in dit geding gelet op voormelde uitspraak van

3 november 2006, 04/4696 WAO geen grond.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze proceskosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in 23 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

GdJ