Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-2588 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsuitkering tijdelijk 20% verlaagd wegens op eigen initiatief beëindigen van werk op werkervaringsplaats. Kwalificatie van de gedraging juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2588 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 maart 2006, 05/2275 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Voor appellante is verschenen mr. Hogervorst. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij is in verband met de zorg voor haar kind voor 20 uur per week vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. In het kader van het door appellante bij Hudson Global Resources gevolgde reïntegratietraject verricht appellante sinds 21 september 2004 gedurende 12 uur per week werkzaamheden op een werkervaringsplaats bij de scholengemeenschap [naam scholengemeenschap].

Bij besluit van 13 januari 2005, voor zover van belang, heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2005 voor de duur van één maand met 20% verlaagd op de grond dat appellante op eigen initiatief haar werk op de werkervaringsplaats heeft beëindigd. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Afstemmingsverordening WWB 2004 van de gemeente Maastricht (hierna: Afstemmingsverordening).

Bij besluit op bezwaar van 22 september 2005, voor zover van belang, heeft het College de bij het besluit van 13 januari 2005 vastgestelde verlaging van 20% voor de duur van één maand gehandhaafd met dien verstande dat het College toepassing heeft gegeven aan artikel 14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep tegen het besluit van 22 september 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College aan het besluit van 22 september 2005 ten onrechte de bepalingen van de Abw en het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ ten grondslag heeft gelegd, maar dat de toepasselijke wettelijke bepalingen tot hetzelfde resultaat leiden.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 22 september 2005 in stand zijn gelaten, en wel voor zover deze betrekking hebben op de verlaging van de bijstand met 20% gedurende één maand. Zij heeft haar in eerste aanleg aangevoerde grief herhaald dat het onderzoek dat heeft geresulteerd in de verlaging van de bijstand ondeugdelijk is geweest.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening.

Ingevolge artikel 3 van de Afstemmingsverordening worden de gedragingen met betrekking tot het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van werk, onderscheiden in vier categorieën. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder 3, ten tweede, van de Afstemmingsverordening behoort tot de derde categorie het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Afstemmingsverordening leidt een gedraging van de derde categorie tot een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. In artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, voor zover van belang, is bepaald dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Afstemmingsverordening kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er voldoende grondslag is voor het standpunt van het College dat appellante begin december 2004 op eigen initiatief haar werk op de werkervaringsplaats heeft beëindigd en dat dit haar kan worden verweten. De Raad stelt zich tevens achter de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd en verwijst daarnaar. Ook voor de Raad staat vast dat appellante zelf het initiatief heeft genomen haar werk te beëindigen en dat niet is gebleken dat de begeleider van appellante bij reïntegratiebedrijf Hudson of de contactpersoon van appellante bij de sociale dienst daarmee akkoord is gegaan. Evenmin is gebleken dat appellante ten tijde van de beëindiging van haar werk ziek was of dat er sprake was van een zodanige verstoring van de werkverhoudingen dat van appellante redelijkerwijs niet kon worden gevergd haar werk op de werkervaringsplaats voort te zetten. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank afdoende is ingegaan op de grief van appellante dat het onderzoek dat heeft geresulteerd in de verlaging van de bijstand ondeugdelijk is geweest. Hetgeen appellante in hoger beroep hieromtrent nog heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellante in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan een haar door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en derhalve niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op haar rustende verplichting. Aangezien van deze gedraging, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellante te verlagen.

Het College heeft de gedraging van appellante terecht gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder 3, ten tweede, van de Afstemmingsverordening. De Raad stelt voorts vast dat de door het College vastgestelde verlaging in overeenstemming is met de verlaging die op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Afstemmingsverordening bij gedragingen van de derde categorie moeten worden vastgesteld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de gedraging appellante kan worden verweten of haar persoonlijke omstandigheden het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening een minder vergaande verlaging op te leggen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Afstemmingsverordening.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 22 september 2005, voor zover deze betrekking hebben op de verlaging van de bijstand met 20% gedurende één maand, terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking voor zover deze is aangevochten.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L. Jörg.

TG