Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
06-6367 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering Bijstandsuitkering. Geen melding gemaakt van inschrijving als zelfstandige bij Kamer van Koophandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6367 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2006, 05/813 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.H. de Vries, belastingadviseur te Doorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 3 februari 2003 heeft het College de bijstand van appellant met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw met ingang van 20 maart 2002 ingetrokken. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan aan het College melding te maken, niet meer behoort tot de personenkring van de Abw aangezien hij met ingang van die datum bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige staat geregistreerd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 mei 2003, voor zover van belang, heeft het College met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de kosten van de over de periode van 20 maart 2002 tot en met 31 oktober 2002 aan appellant verleende bijstand tot een bedrag van € 7.324,53 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 25 augustus 2005, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005 ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat het tegen het besluit van 7 mei 2003 gemaakte bezwaar dateert van vóór 1 januari 2004. Gelet op het bepaalde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand heeft het College dan ook terecht met toepassing van de Abw op dat bezwaarschrift beslist.

De Raad stelt voorts vast dat, nu appellant tegen het intrekkingsbesluit van 3 februari 2003 geen bezwaar heeft gemaakt, dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College gehouden was over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 maart 2002 tot en met 31 oktober 2002. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van medische problemen niet op 20 maart 2002 maar eerst begin november 2002 met zijn onderneming is gestart, dat het College niet heeft aangetoond dat hij over de periode van 20 maart 2002 tot begin november 2002 inkomsten uit onderneming heeft genoten en dat hij het College volledig heeft geïnformeerd omtrent de ontwikkelingen inzake het opstarten van zijn onderneming. Deze grieven behoeven naar het oordeel van de Raad geen bespreking, aangezien zij in wezen zijn gericht tegen de intrekking van de bijstand en in de onderhavige procedure slechts de terugvordering van de kosten van bijstand aan de orde kan komen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.Jörg.

TG