Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
05-5857 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5857 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 augustus 2005, 04/347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater dr. H.N. Sno als deskundige betrokkene onderzocht alsook kennis genomen van de voorhanden medische stukken en op 13 juni 2007 van zijn bevindingen verslag uitgebracht.

Het Uwv heeft gereageerd op dit verslag en heeft een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts, vergezeld van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige met onderliggende stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 december 2007. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.J.E.A. Smit. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Koorn-Harkema, advocaat te Leiden.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 16 december 2003 heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit (het bestreden besluit) vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant dient te vergoeden. De overwegingen van de rechtbank houden in dat uit het rapport dat psychiater W. Dominicus als deskundige op 24 januari 2005 op haar verzoek aan haar had uitgebracht, kan worden afgeleid dat betrokkene per 6 augustus 2003 geen duurzaam benutbare mogelijkheden had als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307). Hieraan heeft de rechtbank de consequentie verbonden dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen, uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In hoger beroep heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat aan de conclusie van de deskundige Dominicus niet die betekenis kan worden gehecht als de rechtbank daaraan heeft toegekend. Daartoe heeft het Uwv erop gewezen dat deze deskundige, aan wiens diagnose het Uwv overigens niet twijfelt, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij tot de conclusie is gekomen dat betrokkene geheel niet in staat was tot deelname aan het arbeidsproces. Met name heeft de deskundige niet vermeld met welke - in de FML aangegeven - beperkingen hij het niet eens is en waarom niet, terwijl in zijn rapport evenmin is vermeld waarom hij betrokkene ongeschikt acht voor de geduide functies. Nu op en na 6 augustus 2003 voorts geen sprake is geweest van opname in een ziekenhuis of instelling, bedlegerigheid of ADL-afhankelijkheid of onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, kan volgens het Uwv uit het deskundigenrapport niet worden afgeleid dat betrokkene per 6 augustus 2003 in het geheel geen benutbare mogelijkheden had als hiervoor bedoeld.

In zijn reactie op het hoger beroep heeft betrokkene de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Hij heeft erop gewezen dat hij in 2003, naast verergering van zijn psychische klachten, ook ernstige knieklachten heeft gekregen die hem belemmeren in het dagelijks functioneren. Hij heeft gesteld toen niet in staat te zijn geweest de door het Uwv in aanmerking genomen functies te vervullen.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding vast te stellen dat de aangevallen uitspraak niet op de juiste wijze tot stand is gekomen. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt de zaak in een dergelijke situatie op een nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond. In het vijfde lid van genoemd artikel is bepaald dat de rechtbank, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. In dit geval hebben beide partijen desgevraagd daartoe hun toestemming gegeven, maar na het geven van toestemming door betrokkene heeft het Uwv nog het rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts van 28 juli 2005 ingezonden, welk rapport door de rechtbank aan het dossier is toegevoegd. Vervolgens heeft de rechtbank op basis van de eerdere toestemming de zaak buiten de zitting afgedaan. Dit is volgens vaste jurisprudentie niet toegestaan (zie bijvoorbeeld CRvB 02-08-94, LJN ZB5348). Nagelaten is om betrokkene te vragen of, na kennisneming van bedoeld rapport, zijn eerdere toestemming al dan niet van kracht bleef. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel 8:64 van de Awb. De aangevallen uitspraak kan daardoor niet in stand blijven. De Raad heeft zich beraden op de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank. Hij beantwoordt die vraag ontkennend, nu nader onderzoek niet noodzakelijk is en om een dergelijke terugwijzing door partijen niet is verzocht.

Wat de zaak ten gronde betreft stelt de Raad vast dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Dominicus heeft gerapporteerd dat hij zich niet kan verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van betrokkene, gelet op de diagnostiek en de beperkingen die betrokkene ervaart. In verband daarmee heeft hij betrokkene op de datum in geding niet in staat geacht fulltime de in aanmerking genomen functies van schadecorrespondent, boekhouder/loonadministrateur en productiemedewerker textiel te vervullen. De Raad overweegt dat de deskundige niet specifiek heeft aangegeven met welke onderdelen van de FML hij zich niet kan verenigen en met betrekking tot zijn opvatting over de afwezigheid van arbeidsmogelijkheden geen relatie heeft gelegd met (de functievereisten voor) die functies. Hierdoor ontbeert de door hem getrokken conclusie, welke door de rechtbank is gevolgd, inhoudend dat betrokkene per 6 augustus 2003 geen benutbare mogelijkheden had, de nodige motivering.

De Raad heeft in verband daarmee aan psychiater Sno verzocht om betrokkene te onderzoeken, kennis te nemen van het dossier en over vorenbedoelde aspecten specifieker te rapporteren. Blijkens zijn rapport heeft Sno als diagnose een dysthyme stoornis en een persoonlijkheidsstoornis gesteld, welke ook op de in geding zijnde datum zijns inziens aanwezig waren. Wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren is het volgens hem gerechtvaardigd dat de FML op drie aspecten wordt aangescherpt. Voorts heeft hij vanuit zijn vakgebied, in termen van de FML, aangegeven waarom hij de door het Uwv in aanmerking genomen functies van schadecorrespondent en boekhouder/loonadministrateur voor betrokkene ongeschikt acht.

Ten aanzien van de functie van productiemedewerker textiel heeft hij geen bezwaren op psychiatrisch gebied geuit.

De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft vervolgens gerapporteerd zich met het rapport van Sno te kunnen verenigen en de FML aangepast zoals door deze is voorgesteld. Daarna heeft de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv, met inachtneming van die aanpassingen van de FML, de twee door Sno ongeschikt geachte functies laten vervallen en op basis van een “historische functieduiding” de functies van productiemedewerker textiel, productiemedewerker industrie en inpakker in aanmerking genomen bij zijn nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Die mate is wederom in de klasse 55 tot 65% uitgekomen.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van de opvatting dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige in beginsel, bijzondere omstandigheden daargelaten, dient te worden gevolgd. De Raad heeft met betrekking tot het rapport van de deskundige Dominicus dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig geacht. Met betrekking tot het meer toegespitste onderzoek van de deskundige Sno heeft de Raad geen aanknopingspunten aanwezig geacht om af te wijken van de resultaten daarvan.

Deze resultaten zijn ten grondslag gelegd aan de in hoger beroep uitgebrachte rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv. De rapporten bieden naar het oordeel van de Raad een voldoende basis voor de opvatting dat betrokkene op de datum in geding, zowel gelet op zijn psychische aandoening als de (ernstige) aandoening van zijn knie, in staat was de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De Raad neemt hierbij in beschouwing dat deze functies overwegend zittend verricht kunnen worden en overweegt voorts, met betrokkene, dat een nader onderzoek naar de kniebeperkingen niet is aangewezen. Er is voor de Raad geen aanleiding te veronderstellen dat bij de schatting is uitgegaan van een te hoog uurloon in de geduide functies - zoals de gemachtigde van betrokkene ter zitting veronderstelde -, waarbij de Raad opmerkt dat het hier bruto-uurlonen inclusief vakantiegeld en emolumenten betreft. De gehanteerde bedragen corresponderen met het in 2003 in de primaire fase uitgebrachte arbeidskundige rapport. Ten slotte overweegt de Raad dat, hoewel in 2003 een verergering van de knieklachten heeft plaatsgevonden, deze toename op zich geen grond kan vormen om de handhaving van het arbeidsongeschiktheidspercentage voor onjuist te houden. Immers, doorslaggevend is het totaal aan functionele beperkingen zoals deze zijn opgenomen in de FML en het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten nog kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking genomen arbeid. Het op basis hiervan berekende inkomensverlies op de datum in geding is vervolgens bepalend.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak zal ook om deze reden worden vernietigd. In de omstandigheid dat pas met de in de fase van het hoger beroep opgestelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige het bestreden besluit is voorzien van een - voordien ontbrekende - deugdelijke motivering, ziet de Raad aanleiding om het beroep in eerste aanleg gegrond te verklaren en het bestreden besluit met toepassing van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te vernietigen, maar de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand te laten.

De Raad acht in verband daarmee termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten voor rechtsbijstand voor het bijwonen van de zitting door de gemachtigde van betrokkene.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

GdJ