Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
06-3602 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering. Juistheid medische grondslag. Geschiktheid geselecteerde functies.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3602 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 mei 2006, 04/1217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M. van der Meer. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in rubriek II van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat appellant bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 29 november 2004, het besluit van 23 april 2004 heeft gehandhaafd. Daarbij is per 20 januari 2004 afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een onjuiste feitelijke grondslag berust waar het de belastbaarheid van betrokkene betreft. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan het op verzoek van de rechtbank door de zenuwarts C.J.F. Kemperman als deskundige bij rapport van 6 augustus 2005 gegeven advies.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat diens bezwaarverzekeringsarts zich weliswaar niet heeft kunnen vinden in de uitkomsten van het onderzoek van de deskundige Kemperman, maar dat, ook als de deskundige Kemperman zou worden gevolgd, er in dat geval voldoende geschikte arbeidsmogelijkheden vallen aan te wijzen op grond waarvan, na het einde van de voor appellante geldende wachttijd van 52 weken, per 20 januari 2004 de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Daartoe heeft appellante gewezen op de inhoud van een aan de rechtbank gerichte brief van 10 november 2005 met als bijlage een rapport van 9 november 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema.

Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op haar bezwaar had behoren te nemen en ter voorbereiding daarvan nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek had behoren te doen. Voorts is aangevoerd dat de deskundige Kemperman zijn beoordeling heeft beperkt tot een oordeel over het persoonlijk en sociaal functioneren van betrokkene en dat hij geen oordeel heeft gegeven over de lichamelijke belastbaarheid van betrokkene, omdat dat niet op zijn vakgebied ligt. Ten slotte is aangevoerd dat ook met inachtneming van de door de deskundige Kemperman gestelde medische beperkingen enige van de in het arbeidskundig rapport van 9 november 2005 genoemde functies niet voor betrokkene geschikt zijn te achten.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting door appellant niet (langer) wordt bestreden. Ook wordt van de zijde van appellant in hoger beroep niet bestreden dat met inachtneming van de medische bevindingen van de deskundige Kemperman van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies er te weinig als geschikt resteren om deze schatting te kunnen dragen. Van de zijde van betrokkene wordt niet het oordeel van de rechtbank bestreden dat de medische grondslag van de schatting, gelet op het advies van de deskundige Kemperman, ondeugdelijk is, maar wordt nog wel betwist, zo begrijpt de Raad, dat diens advies ook de lichamelijke belastbaarheid van betrokkene betreft.

De Raad is van oordeel dat met de rapportage van de deskundige Kemperman de medische belastbaarheid van betrokkene voldoende is beschreven. Daarbij wijst de Raad erop dat de deskundige zich niet heeft beperkt tot onderzoek naar de psychische klachten van betrokkene, maar tevens haar uitgebreid lichamelijk en neurologisch heeft onderzocht. De omstandigheid dat de deskundige geen verdergaande lichamelijke beperkingen heeft aanvaard dan de bezwaarverzekeringsarts heeft gedaan doet hieraan niet af.

Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of de rechtbank, gelet op het arbeidskundig rapport van 9 november 2005, niet tot de conclusie had moeten komen dat de arbeidsongeschiktheidsschatting daardoor gedragen werd en of de rechtbank in verband daarmee de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand had behoren te laten.

Dienaangaande wijst de Raad er allereerst op dat deze bepaling aan de rechtbank de bevoegdheid geeft om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand te laten en dat de enkele omstandigheid dat de rechtbank van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt niet reeds met zich brengt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. In zoverre faalt het hoger beroep.

De vraag of met het rapport van 9 november 2005 een afdoende arbeidskundige onderbouwing is gegeven van het standpunt van appellant dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 20 januari 2005 minder dan 15% bedroeg, beantwoordt de Raad bevestigend. Hetgeen betrokkene bij verweerschrift in hoger beroep tegen dit rapport heeft aangevoerd (en in meer uitgebreide zin in eerste aanleg) geeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de daarin genoemde functies voor betrokkene niet geschikt zijn. Daarbij heeft de Raad mede acht geslagen op de bij rapporten van 5 januari 2006 en 6 februari 2006 door de bezwaararbeidsdeskundige Stiekema gegeven reacties op de van de zijde van betrokkene geuite kritiek.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend is de Raad van oordeel dat er aanleiding is gebruik te maken van zijn in artikel 8:72, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking met dien verstande dat de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laat.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Betrokkene heeft ook vergoeding gevraagd van de kosten van de door haar ingeschakelde medisch adviseur D.J. Schakel. Die kosten betreffen evenwel de bemoeienissen van deze adviseur ten tijde van het geding in eerste aanleg. Daaromtrent heeft de rechtbank al een beslissing gegeven die met de bevestiging van de aangevallen uitspraak door de Raad in stand blijft.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 november 2004 in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ