Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
06-293 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/293 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2005, 05/1799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.K. Rahman, advocaat te Rotterdam, onder verwijzing naar een op 25 januari 2006 gedateerde verklaring van de huisarts A.C. van der Stelt hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Mr. A.K. Ramdas heeft zich bij schrijven van 20 november 2007 als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en heeft bij dat schrijven medische stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellant is daarbij in persoon verschenen bijgestaan door mr. Ramdas voornoemd en zijn broer [S.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich op 10 september 2003 in verband met nekklachten na een verkeersongeval ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als bedrijfsleider bij [werkgever] voor 38 uur per week. Het dienstverband van appellant is begin februari 2004 beëindigd.

De voor het Uwv werkzame verzekeringsarts heeft geen aanwijzingen gevonden voor een ernstige invaliderende aandoening door whiplash. De verzekeringsarts heeft niettemin aanleiding gezien beperkingen aan te nemen ten aanzien van de nekbelasting van appellant en heeft verder rekening gehouden met de door appellant geclaimde concentratiestoornissen en vermindering van het geheugen. De verzekeringsarts, die de belastbaarheid van appellant heeft vastgesteld in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 augustus 2004 heeft geen noodzaak gezien voor een urenbeperking.

De voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige stelde na arbeidskundig onderzoek vast dat appellant geschikt te achten was voor zijn eigen werk en dat het eigen werk van appellant geregeld op de vrije arbeidsmarkt werd aangeboden tegen het maatmanuurloon dat appellant verdiende. Het Uwv heeft appellant daarop bij besluit van 7 september 2004 medegedeeld dat hij per 8 september 2004 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Het Uwv heeft na weging van in bezwaar verkregen informatie van de behandelend sector aanleiding gezien de eerder vastgestelde belastbaarheid van appellant te onderschrijven.

Het Uwv heeft derhalve bij besluit op bezwaar van 17 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, zijn besluit van 7 september 2004 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak ondermeer overwogen dat de namens appellant in beroep in geding gebrachte rapportage van psychiater R.W. Jesserun haar geen reden heeft gegeven te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest is omdat is nagelaten informatie in te winnen bij de behandelend huisarts A.C. van der Stelt. Verder heeft appellant, onder verwijzing naar een medische verklaring van zijn huisarts van 25 januari 2006, aangevoerd dat de FML gebaseerd is op verouderde medische gegevens omdat er ten onrechte geen rekening gehouden is met de voor appellant uit de posttraumatische stressstoornis voortvloeiende beperkingen. Nu bij de functieduiding uitgegaan is van een onjuiste FML zijn ook de geduide functies onjuist te achten, naar de mening van appellant.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij meer beperkt is te achten heeft appellant de Raad nog diverse medische stukken doen toekomen, waaronder een op 28 oktober 2004 gedateerde verklaring van klinisch psycholoog L. Kruithof en verscheidene brieven afkomstig van de behandelend neuroloog.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanwijzigen gevonden om de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit onjuist of onzorgvuldig te achten. De Raad overweegt hiertoe dat de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van appellant heeft vastgesteld na eigen onderzoek verricht te hebben, en dat de ten behoeve van het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts na raadpleging van de behandelend revalidatiearts C.D. van Houten en fysiotherapeut T. Bons geen aanleiding gezien heeft het door de verzekeringsarts ingenomen standpunt aangaande de belastbaarheid van appellant voor onjuist te houden. De Raad is uit de in geding gebrachte medische stukken niet gebleken dat appellant per datum in geding meer of anders beperkt is te achten dan vastgesteld in de FML noch dat appellant ten gevolge van een posttraumatische stressstoornis beperkt was te achten. De Raad overweegt in dit verband dat klinisch psycholoog Kruithof in zijn schrijven van 28 oktober 2004 juist heeft aangegeven dat er bij appellant desgevraagd nauwelijks symptomen van een posttraumatische stressstoornis bestonden. Het feit dat appellant later mogelijk een posttraumatische stressstoornis heeft opgebouwd kan hieraan niet afdoen omdat uit informatie van de huisarts Van der Stelt en van psychiater Jessurun is af te leiden dat de klachten van appellant hun inziens progressief van aard zijn.

De Raad is tot slot van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar niet onzorgvuldig gehandeld heeft door af te zien van het inwinnen van informatie bij de behandelend huisarts. Gelet op de reeds aanwezige informatie van de revalidatiearts en de fysiotherapeut was er naar het oordeel van de Raad geen meerwaarde te verwachten van het opvragen van informatie bij appellants huisarts.

De Raad merkt tot slot op dat hij appellant niet kan volgen in zijn grief dat de geduide functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid. De arbeidsdeskundige heeft appellant immers geschikt geacht voor zijn eigen werk en heeft een theoretische schatting achterwege gelaten.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

HS