Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
07-1272 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft besluit tot beëindiging bijstandsuitkering vernietigd. Dakloze ingeschreven bij dienst Burgerzaken in Rotterdam, en de beschikking over briefadres. Onduidelijk waarom betrokkene hoger beroep heeft ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1272 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2007, 06/2122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit gedateerd 17 april 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is dakloos en ontvangt sinds 1 augustus 2004 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.

Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het College de bijstand van appellant beëindigd met ingang van 1 januari 2006, op de grond dat appellant, door onjuiste gegevens te verstrekken omtrent zijn woonsituatie, zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College appellant (weer) bijstand toegekend met ingang van 31 januari 2006.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2008 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent griffierecht, het beroep tegen het besluit van 12 mei 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen (waar voor eiser en verweerder appellant en College dient te worden gelezen).

“Uit de toelichting bij de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand maakt de rechtbank op dat een dakloze die staat ingeschreven bij de dienst Burgerzaken in Rotterdam en de beschikking heeft over een briefadres, recht op uitkering heeft. Bij de stukken bevindt zich een uitdraai uit de gemeentelijke basisadministratie betreffende eiser van 11 december 2006 waar bij ‘(Vorige) adressen’ staat vermeld dat eiser van 12 juli 2004 tot 10 februari 2006 ingeschreven stond op het adres [adres 1] en vanaf 10 februari 2006 tot heden op het adres [adres 2].

Op 20 september 2005 heeft eiser op het spreekuur reeds aangegeven dat hij overnachtte op de [adres 2]. Niet is uit het dossier gebleken dat verweerder die mededeling heeft onderzocht. Uit de rapportage van 9 maart 2006 blijkt dat eiser door [S.] ([adres 2]) is doorverwezen voor een toegangspas ‘omdat hij daar al enige tijd verblijft’. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt hoe lang of sinds wanneer eiser al bij [S.] verbleef. Nu eiser voor SoZaWe kennelijk wel steeds bereikbaar is geweest (spreekuren 20 september 2005 en 30 november 2005, huisbezoek 21 december 2005 en spreekuur 29 december 2005, en overigens eisers omstandigheden genoegzaam bekend (zullen) zijn bij verweerder, heeft er voor verweerder geen twijfel kunnen bestaan over het recht van eiser op uitkering.”

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank appellant in het gelijk heeft gesteld in zijn beroep gericht tegen het besluit van het College van 12 mei 2006 waarin de beëindiging van de bijstand met ingang van 1 januari 2006 is gehandhaafd.

De Raad stelt voorts vast dat het College tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.

De Raad overweegt dat het hem niet duidelijk is geworden op grond waarvan appellant van mening is dat de aangevallen uitspraak voorzover het betreft de aanspraak van appellant op bijstand niet in stand kan blijven. De Raad maakt uit de overgelegde stukken wel op en begrijpt het betoog van appellant ter zitting van de Raad aldus dat appellant zich er over beklaagt dat de rechtbank is voorbijgegaan aan al hetgeen appellant in die procedure heeft overgelegd. De Raad is evenwel van oordeel dat de rechtbank zich terecht heeft beperkt tot het geven van een oordeel over het besluit van het College van 12 mei 2006.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad stelt tot slot vast dat het College bij besluit van 17 april 2007 uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak en de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2006 in ongewijzigde vorm heeft voortgezet. Daarmee is geheel aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) L. Jörg.

RB