Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
06-494 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering immateriële schadevergoeding. Afwijzing proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/494 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2005, 03/5188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar broer D.A.J. Helleman, arts. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

Nadat appellante beroep had ingesteld tegen het besluit van het Uwv van 6 november 2003, waarbij ongegrond was verklaard appellantes bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2003 tot intrekking met ingang van 14 mei 2003 van haar naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), heeft het Uwv bij nader besluit van 24 juni 2005 het bezwaar alsnog gegrond verklaard en appellante in aanmerking gebracht voor ongewijzigde voortzetting op en na 14 mei 2003 van haar WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante heeft vergoeding gevorderd van proceskosten en schade.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente. Het verzoek tot vergoeding van door appellante onnodig geleden psychische schade is afgewezen, daar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake is van psychische schade als gevolg van de bestreden besluitvorming.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van proceskosten en kosten verbonden aan de bezwaarprocedure heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat geen plaats is voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb van kosten verbonden aan de door de broer van appellante - die arts is - als haar gemachtigde verleende bijstand, nu geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en evenmin sprake is van verplichte tussenkomst van een arts-gemachtigde.

Ook kan volgens de rechtbank in het licht van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen vergoeding worden verleend voor aan de zijde van appellantes broer in verband met het bezoeken van de zittingen gemaakte verletkosten en/of reiskosten, nu appellante zelf op die zittingen aanwezig is geweest.

Ten slotte biedt volgens de rechtbank het Besluit proceskosten bestuursrecht ook geen ruimte voor vergoeding van kosten voor postzegels, faxen, aangetekende stukken en kopieerkosten.

Appellante heeft haar evenvermelde vorderingen in hoger beroep gehandhaafd.

Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, merkt de Raad nog het volgende op.

Voor zover hetgeen namens appellante wordt aangevoerd aldus moet worden begrepen dat zij, naast vergoeding van proceskosten en schade, vordert dat de rechter een sanctie of sancties oplegt aan het Uwv vanwege het zich niet houden aan termijnen inzake beantwoording van (klacht)brieven en inzake het instellen van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken alsmede vanwege het zich niet houden aan richtlijnen bij het opvragen van medische gegevens, overweegt de Raad dat voor zodanige sanctieoplegging in wet- en regelgeving geen grondslag kan worden gevonden.

Voor zover het betoog van appellante aldus moet worden opgevat dat zij in verband met vorenomschreven omstandigheden met toepassing van artikel 8:73 van de Awb aanspraak wenst te maken op vergoeding van schade, overweegt de Raad dat honorering van zodanig verzoek reeds afstuit op het gegeven dat geen sprake is van schade die in verband kan worden gebracht met het onrechtmatige besluit van 6 november 2003, althans niet in een zodanig verband dat deze als een gevolg van het onrechtmatige besluit aan het Uwv kan worden toegerekend.

Voorts heeft appellante - ook in hoger beroep - op geen enkele wijze aangetoond dat bij haar als gevolg van het onrechtmatige besluit van 6 november 2003 geestelijk letsel is ontstaan dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Voor toewijzing van de gevorderde vergoeding van immateriële schade is daarom, naar ook de rechtbank heeft geoordeeld, geen ruimte.

Ten slotte heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat ook de gevraagde vergoeding van proceskosten niet kan worden toegewezen. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is geen sprake, zodat in het licht van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen vergoeding mogelijk is. Voorts doet zich ook niet de in artikel 1, aanhef en onder f, van genoemd besluit bedoelde situatie voor waarin een wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is, zodat ook via die weg geen vergoeding kan worden gegeven. De Raad merkt hierbij overigens nog op dat aan de gevraagde vergoeding ook in de weg zou staan dat de aan appellante door haar broer geboden hulp in overwegende mate is bepaald door de familierelatie.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

HS