Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
07-579 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel inzake WW-uitkering vanwege onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/579 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2006, 06/1065 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene].

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Daarop heeft appellant op verzoek van de Raad gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Betrokkene is op 6 januari 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als onderhoudsschilder in dienst getreden van [werkgever] (hierna: de werkgever). Op 29 november 2005 heeft de werkgever betrokkene ontslag aangezegd per 9 januari 2006 in verband met het feit dat er te weinig opdrachten waren. Betrokkene heeft met ingang van 9 januari 2006 een WW-uitkering aangevraagd.

2.3. Bij besluit van 9 februari 2006, voor zover hier van belang, heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij voordat hij werkloos werd niet heeft gesolliciteerd, ook niet in de 2,5 week vóór zijn vakantie c.q. de wintersluiting voor de schilders, hoewel hij toen al wist dat hij werkloos zou worden. Daarom is het uitkeringspercentage met ingang van 9 januari 2006 verlaagd met 20% voor 16 weken. Het bezwaar van betrokkene tegen het opleggen van de maatregel is bij besluit van 28 april 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat appellant in het geval van betrokkene van de juistheid van de vooronderstelling mocht uitgaan dat met het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten de kans toeneemt dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene echter voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de geding zijnde periode geen aanbod van passende arbeid voorhanden was, zodat op appellant de verplichting rustte nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor betrokkene passende arbeid. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet onaannemelijk is dat in de 2,5 week voorafgaande aan de zogenoemde wintersluiting per 16 december 2005 geen geschikte vacatures voorhanden waren. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat de schildersbranche wordt geconfronteerd met een hoge werkloosheid gedurende de wintermaanden waarmee de jaarlijkse wintersluiting kennelijk samenhangt. Navraag door betrokkene bij de twee grootste verfleveranciers naar bedrijven met veel werk en de poging van de werkgever om betrokkene aan het werk te houden bij collega-bedrijven heeft niet tot resultaat geleid, terwijl hij ook pas na 30 sollicitaties en inschrijving bij drie uitzendbureaus in mei 2006 een baan heeft gevonden.

4. 1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel bestreden dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in de geding zijnde periode voor hem geen aanbod voor passende arbeid voorhanden was. Volgens appellant is er ook in de winter-periode werk voorhanden, zij het in beduidend mindere mate dan in andere perioden. Dat hoeft echter geen beletsel te zijn om op andere wijze aan de sollicitatieverplichting te voldoen. Betrokkene had zich in de periode vóór 9 januari 2006 bij uitzendbureaus kunnen inschrijven of een open sollicitatie kunnen verrichten. Het informeren naar werk via derden, in dit geval verfleveranciers, is niet als een concrete sollicitatieactiviteit aan te merken.

4.2. Bij wijze van verweer heeft betrokkene zijn standpunt gehandhaafd dat er vanaf 29 november 2005 tot 19 december 2005 geen passende vacatures voor hem waren, ook niet bij uitzendbureaus. Bovendien meent hij dat het inwinnen van informatie bij verfgroothandels als een open sollicitatie kan worden gezien.

5.1. Aan de orde is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt het volgende.

5.2. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat een werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in voldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van het door appellant in de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW neergelegde beleid betreffende de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te ondernemen wordt van de werknemer wiens dienstbetrekking is opgezegd verlangd dat hij vanaf de datum van opzegging sollicitatieactiviteiten ontwikkelt.

5.3. Vaststaat dat het betrokkene vanaf 29 november 2005 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn dienstbetrekking per 9 januari 2006 eindigde en dat betrokkene tussen 29 november 2005 en 9 januari 2006 geen sollicitaties heeft verricht en zich niet heeft laten inschrijven bij een uitzend- of detacheringsbureau. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het bij verfleveranciers informeren naar werk bij schildersbedrijven niet als een concrete sollicitatieactiviteit kan worden beschouwd.

5.4. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene in een zo uitzonderlijke situatie verkeerde dat in zijn geval niet mag worden uitgegaan van de vooronderstelling dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind ten aanzien van hem niet opgaat.

5.5. Met betrekking tot de vraag of betrokkene er in geslaagd is om aannemelijk te maken dat er voor hem geen passende arbeid voorhanden was, is de Raad tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Hoewel tijdens de winterperiode aanzienlijk minder werk als onderhoudsschilder voorhanden is dan in de andere perioden van het jaar, is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat er dan in het geheel geen werk is. Betrokkene had vanaf 29 november 2005, dat is ruim twee weken vóór de wintersluiting, actief naar werk als onderhoudsschilder kunnen zoeken door een, eventueel open, schriftelijke of mondelinge sollicitatie bij een schildersbedrijf te verrichten dan wel door zich te laten inschrijven bij een detacherings- of uitzendbureau. Hieruit volgt dat op appellant niet de plicht rustte om aan te tonen dat er vacatures voor betrokkene waren.

5.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat betrokkene terecht is verweten de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet te zijn nagekomen.

5.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het inleidend beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW