Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
07-2400 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel inzake WW-uitkering vanwege onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2400 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 maart 2007, 06/5875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.E.A. Cuypers, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarop is namens appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant en mr. Cuypers zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant is op 10 mei 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 10 november 2005 als onderhoudsschilder in dienst getreden van [werkgever] (hierna: de werkgever). Aansluitend hebben appellant en de werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten van 10 november 2005 tot 10 januari 2006. Op 22 december 2005 heeft de werkgever appellant geïnformeerd dat het contract wegens onvoldoende werk niet zou worden verlengd. Appellant heeft op 16 januari 2006 een WW-uitkering aangevraagd.

2.3. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat een onderzoek is ingesteld naar zijn sollicitatieactiviteiten en dat uit de verkregen gegevens is gebleken dat hij geen sollicitatieactiviteiten heeft ontwikkeld om passende arbeid te verkrijgen vanaf de datum van opzegging. Appellant wordt geacht hierdoor werkloos te zijn en te blijven doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Hierdoor bedraagt de uitkering vanaf 9 januari 2006 gedurende 16 weken 50% in plaats van 70% van het dagloon. Het bezwaar van appellant tegen het opleggen van de maatregel is bij besluit van 13 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Aan de orde is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft doordat hij in voldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Op grond van het door het Uwv in de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW neergelegde beleid betreffende de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te ondernemen wordt van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt.

4.3. Op grond van de stukken, waaronder het bezwaarschrift van appellant d.d. 17 april 2006 acht de Raad het voldoende aannemelijk dat appellant vanaf 22 december 2005 wist dat zijn dienstbetrekking per 9 januari 2006 eindigde. Vaststaat dat appellant tussen 22 december 2005 en 9 januari 2006 geen sollicitaties heeft verricht en zich evenmin heeft laten inschrijven bij een uitzend- of detacheringsbureau.

4.4. In lijn met zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en AV1635, is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of appellant werkloos is geworden doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, mag worden uitgegaan van de vooronderstelling dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. Naar het oordeel van de Raad bieden de door appellant aangedragen en de overige voorhanden gegevens geen steun voor het oordeel dat hij in een zo uitzonderlijke situatie verkeert dat genoemd uitgangspunt voor hem niet zou gelden.

4.5. De Raad ziet in het geval van appellant geen grond voor het oordeel dat het Uwv aannemelijk dient te maken dat voor appellant wel passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er wel vacatures waren dan wel dat appellant op andere wijze aan zijn sollicitatieverplichting had kunnen voldoen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er voor hem geen passende arbeid voorhanden was. Uit het feit dat er bij het bezoek van appellant op 9 januari 2006 aan de Centrale organisatie Werk en Inkomen geen voor hem passende vacatures bleken te zijn kan dit niet worden afgeleid, omdat de daar aangemelde vacatures geen volledig beeld geven van het beschikbare werk in de schildersbranche. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat appellant tijdens de wintersluiting in de schildersbranche in ieder geval had kunnen trachten passend werk te vinden door open schriftelijke sollicitaties bij schildersbedrijven te verrichten dan wel door middel van inschrijving bij een uitzendbureau. Hoewel tijdens de winterperiode aanzienlijk minder werk als onderhoudsschilder voorhanden is dan in de andere perioden van het jaar, is niet aannemelijk dat er dan in het geheel geen werk is. De opvatting van appellant dat de CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf van 13 oktober 2005 een collectieve wintersluiting van 19 december 2005 tot en met 6 januari 2006 voorschreef en dat schriftelijk of telefonisch solliciteren daarom geen zin had onderschrijft de Raad niet. De wintersluiting had appellant er niet van behoeven te weerhouden sollicitatiebrieven aan schildersbedrijven te schrijven, temeer daar het uitvoerend, technisch en administratief personeel niet onder de collectieve wintersluiting valt en die brieven derhalve in behandeling had kunnen nemen.

4.7. Het beroep van appellant op een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch en op twee besluiten betreffende het in onvoldoende mate solliciteren tijdens de bouwvak respectievelijk de wintersluiting door drietal andere werknemers moet reeds falen omdat niet is gebleken dat het daarbij gaat om in relevante mate met de situatie van appellant vergelijkbare gevallen.

4.8. Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant terecht is verweten de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet te zijn nagekomen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de opgelegde maatregel niet in overeenstemming is met de mate van verwijtbaarheid.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW