Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
06-153 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Motivering voor de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/153 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 december 2005, 05/3371 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te

’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken-Vooys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers. Tevens was als tolk aanwezig E. Aydin.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was sedert 5 juli 2001 werkzaam als medewerker kringloop van kleding voor 40 uren per week. Zij is voor dat werk op 9 april 2002 uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 8 april 2003 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij het besluit van 31 augustus 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 31 oktober 2004 ingetrokken op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk van medewerker kringloop kleding, doch geschikt is te achten voor lichte werkzaamheden. Bij besluit van 12 mei 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

31 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 augustus 2004 herroepen en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten te hebben gevonden voor het oordeel dat het Uwv bij appellante van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd vanwege de arbeidskundige onderbouwing. Het Uwv is tot de slotsom gekomen dat de eerder aan appellante geduide functies, op één na, niet langer worden gehandhaafd en dat door de bezwaararbeidsdeskundige geheel nieuwe functies voor appellante geschikt worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank had in dit geval het Uwv een nieuwe uitlooptermijn in acht moeten nemen. De rechtbank heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien en de datum van intrekking van de WAO-uitkering van appellante te bepalen op 20 juni 2005.

Appellante heeft in hoger beroep gevorderd dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid vanaf 20 juni 2005 wordt bepaald op 80 tot 100%. Zij heeft aangevoerd dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Met name is zij psychisch meer beperkt te achten dan is aangenomen. Zij verwijst daartoe naar de door haar in geding gebrachte medische stukken. Verder overschrijden ook de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies haar beperkingen. Bovendien ontbreekt een adequate toelichting op de diverse beoordelingspunten.

Gelet op de inhoud van het hoger beroep en het verhandelde ter zitting gaat het in dit geding om de beantwoording van de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 20 juni 2005 terecht is vastgesteld op minder dan 15%.

De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en van het schrijven van de huisarts van 20 januari 2005 met daarin een uitvoerige uiteenzetting omtrent de gezondheidstoestand van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van die gegevens en van zijn bevindingen tijdens de behandeling van appellantes bezwaar op de hoorzitting geconcludeerd dat bij appellante sprake is van aanpassingsproblemen en stemmingsklachten bij psychosociale en acculturatie problematiek. Hij acht een psychiatrisch beeld niet aanwezig; er is ook slechts een beperkte hulpvraag geweest. Met het aannemen van een beperkte psychische belastbaarheid zoals neergelegd in de FML is voldoende rekening gehouden met haar klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire medische beoordeling zoals vastgelegd in de FML dan ook gevolgd. Naar aanleiding van de door appellante in beroep ingebrachte informatie van de haar inmiddels behandelend psychiater R. Soylu heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 5 augustus 2004 (lees: 2005) uiteengezet dat de door de behandelaar aangegeven paniekaanvallen een psychische diepgang missen en meer een cultuurbepaalde vraag van aandacht en zorg lijken. De aangegeven ernst van de klachten mist zijns inziens een duidelijke onderbouwing. Ook de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie van psychiater Soylu heeft de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe gezichtspunten verschaft voor de periode hier in geding.

De Raad heeft gelet op de uitvoerige medische beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gevonden voor de juistheid van het standpunt van appellante dat ten tijde hier in geding haar psychische belastbaarheid is overschat. Voorts is de Raad niet kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar lichamelijke beperkingen in onvoldoende mate door de bezwaarverzekeringsarts zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante op de hier in geding zijnde datum, 20 juni 2005, geen steun. De Raad merkt daarbij op dat met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na die datum geen rekening kan worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens niet gebleken.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat dit besluit is genomen vóór 1 juli 2005 en dat voorafgaande aan dit besluit geen afdoende motivering is gegeven waarom de geduide functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Naar het oordeel van de Raad is pas in hoger beroep het bestreden besluit door de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 21 maart 2006 van een als toereikend aan te merken onderbouwing voorzien. Uitgaande van de met juistheid vastgestelde beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. De mate van de arbeidsongeschiktheid van appellante is dan ook terecht met ingang van 20 juni 2005 bepaald op minder dan 15%.

Mede gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het Claim Beoordelings- en BorgingsSysteem moet het voorgaande tot de conclusie leiden dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behoudens voor zover daarin is beslist over de vergoeding van het griffierecht en proceskostenveroordeling. Voorts zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand laten met ingang van 20 juni 2005.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin is beslist over vergoeding van het griffierecht en proceskostenveroordeling;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven met ingang van 20 juni 2005;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL